Fotograaf: Jeroen Jansen

dhr. dr. J. (Jeroen) Jansen


  • Faculteit der Geesteswetenschappen
    Capaciteitsgroep Nederlandse Letterkunde
  • Bezoekadres
    P.C. Hoofthuis
    Spuistraat 134  Amsterdam
  • Postadres:
    Spuistraat  134
    1012 VB  Amsterdam
  • J.Jansen@uva.nl
    T: 0205254604
    T: 0205253391

Jeroen Jansen

Vanaf 1981 studeerde ik Nederlandse taal- en letterkunde (kandidaatsexamen 1985 cum laude; doctoraalexamen 1987 cum laude) en vanaf 1984 Klassieke talen aan de Universiteit van Amsterdam. In 1995 promoveerde ik cum laude op een dissertatie over de beknoptheid van vorm en stijl in de renaissance. Tussen 1995 en 1997 deed ik als postdoc (Veni, NWO) onderzoek naar de stilistische en inhoudelijke helderheid in de Nederlandse poëtica tussen 1550 en 1700. Als KNAW-fellow stelde ik een studie samen over de literaire theorie rond het decorum in de renaissance. Tussen 2001 en 2006 was ik leider van een onderzoeksgroep in het kader van de persoonsgebonden vernieuwingsimpuls (Vidi, NWO). In deze periode verrichtte ik onderzoek binnen het project: Imitation: between Plagiarism and Originality. The Scope and Boundaries  of Textual Imitation ( imitatio auctorum ) in European Literature from c. 1500 to c. 1700: Italy , France , Netherlands. De monografie over dit onderwerp verscheen in 2008 bij uitgeverij Verloren te Hilversum.

 

Momenteel werk ik aan een project dat zich richt op strategieën in literaire teksten,  in preliminaria en in parateksten: Pretextual Strategies. The Rhetoric of Ethos, Literary Authority and (Con)Textual Identity in Renaissance Preliminary Texts.

Sinds 1987 werk ik aan de Universiteit van Amsterdam,  als onderzoeker, en als universitair docent bij de leerstoelgroep Historische Nederlandse letterkunde. Ik gaf gastcolleges onder meer in Berlijn, Metz, Parijs en Londen. Tussen 1995 en 2005 was ik bestuurslid van de Werkgroep Zeventiende eeuw en redactiesecretaris van het tijdschrift De zeventiende eeuw . Tot 2011 was ik bovendien bestuurslid van de International Society for the History of Rhetoric, afdeling Benelux, coördineerde het honoursprogramma Neerlandistiek en was lid, c.q. voorzitter, van de opleidingscommissie BA en MA Nederlandse taal en cultuur.

Thans ben ik coördinator van de Minor en Masteropleiding Gouden Eeuw, coördinator van de onderzoeksmaster Dutch Golden Age Studies en Opleidingsdirecteur BA Neerlandistiek.

Onderzoek

Ik ben geïnteresseerd in tekstgericht onderzoek en bestudeer binnen het project Pretextual Strategies. The Rhetoric of Ethos, Literary Authority and (Con)Textual Identity in Renaissance Preliminary Texts het verschijnsel 'strategie' (strategisch positioneren, strategisch handelen, auteursstrategie, etc.). Daarbij maak ik gebruik van inzichten die reiken van de antieke retorica tot de moderne argumentatieleer, van het klassieke 'ethos' tot framing, negotiation tactics, en strategisch manoeuvreren. In mijn onderzoek naar en analyse van historische teksten integreer ik recente ontwikkelingen uit de historische taalkunde, pragmatiek, en argumentatietheorie.              

.

Huidige aandachtspunten zijn:

  • Geschiedenis van de Nederlandse letterkunde in de periode 1500-1700
  • Tekstanalyse, discourse analysis (tussen 1500-1700), in relatie met cultural memory
  • Strategische argumentatie en framing in oudere teksten
  • De relatie tussen humanistische en Nederlandstalige literatuur, met speciale aandacht voor retorica, en poëtica
  • Pretextual Strategies. The Rhetoric of Ethos, Literary Authority and (Con)textual Identity in Renaissance Preliminary Texts. Dit onderzoek maakt deel uit van het onderzoek van de leerstoelgroepen Historische Nederlandse letterkunde en Moderne Nederlandse letterkunde van de UvA dat in de komende jaren gestroomlijnd wordt in het programma Writing, Culture and Identity; Social Dimensions of Literature in The Netherlands. Het richt zich op de functie van literatuur in politieke, wetenschappelijke, godsdienstige en artistieke context, op de strategieën die in literatuur gehanteerd worden om de publieke opinie te beïnvloeden en op de rol van de verschillende artistieke (literaire) milieus te midden van andere maatschappelijke kringen.
  • Cultural memory, rhetoric and literary discourse

Onderwijs

Joost van den Vondel

Vondels `Aenleidinge ter Nederduytsche dichtkunste'

Een recent artikel is gewijd aan polyfonie en dialogismen in de `Aenleidinge ter Nederduytsche dichtkunste' (1650) van Joost van den Vondel.

 Gerbrand Adriaensz Bredero

Waarom komen de bedriegers en domoren in Bredero's kluchten en komedies altijd van buiten Amsterdam, uit Keulen, uit een buitendijkse molen of uit Brabant? 

Research / Huidig en toekomstig onderzoek

Jeroen Jansen

- G.A. Bredero, Spaanse Brabander, schooleditie (Tekst in context)

- Pretextual Strategies. The Rhetoric of Ethos, Literary Authority and (Con)Textual Identity in Renaissance Preliminary Texts .

- The prose of Bredero. Preliminary strategies.

- Text edition of P.C. Hooft, Reden vande waerdicheit der poesie.

- Text edition of Ludolph Smids, Onderwijs in de Tooneel-Poezij.  

 

Vroeger onderzoek

Selectie uit  vroegere publicaties

Artikelen:

.          ' Aulularia - Warenar , adaptatie incontrast', in: Spektator 18 (1988-1989),p. 124-151. [bekroond met de Rijklof Michaël van Goens-prijs 1990]

·          'De produktie van narratief proza omstreeks 1610 / 1640 / 1670: verschuivingen binnen het genresysteem' [samen met E.K. Grootes], in: Spektator 19 (1990), p. 107-119.

·          'Johan de Brune en de stijldeugden', in: Johan de Brune de Oude (1588-1658). Een Zeeuws literator en staatsman uit de zeventiende eeuw . Werken uitgegeven door het Koninklijk Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen dl 6,Middelburg 1990, p. 70-91.

·          '"Ghy Amsterdammer Burgers..., ick ben u mee Poortres". De aangesproken toeschouwers van de Warenar ', in: TNTL 106 (1990), p. 287-290.

·          'Het slot van de Warenar (1617) en zijn mogelijke bronnen', in: Spektator 20 (1991), p. 37-54.

·          'De taal van het hof', in: De zeventiende eeuw 8.1 (1992), p. 91-97.

·          'Euclio op het Amsterdamse toneel', in: Hermeneus. Tijdschrift voor antieke cultuur 64 (1992), p. 143-151.

·          'The Aulularia edition which served as basis for the Warenar ', in: Quaerendo 24.2 (1994), p. 83-113.

·          De commentaar van de Aulularia en de creatie van de Warenar ', in: TNTL 110 (1994), p. 275-288.

·          'Tacitusende Opstand', in: De zeventiende eeuw 10.1 (1994), p. 190-196.

·         '"Helderheid" ( perspicuitas ) in enige renaissancistische drama-voorredes', in: Spektator 24.3/4 (1995), p. 202-215.

·          'Een Neolatijnse encyclopedie en een voorrede in de moedertaal.          Twee opvattingen over perspicuitas in 1616', in: C. van Eck, M. Spies en T. Streng (red.), Een kwestie van stijl. Opvattingen over stijl in kunst en literatuur , Amsterdam1997, p. 79-95.

·          'Hooft en Huydecoper. De "Getuigenissen" in de editie Brieven (1738)', in: J. Jansen (red.), Omnibus idem . Opstellen over P.C. Hooft ter gelegenheid van zijn driehonderdvijftigste sterfdag, Hilversum 1997, p. 121-148.

·          'Betekenissen van het poëticale begrip "hardigheid" naar aanleiding van J.J. Starters voorwoord bij Timbre de Cardone (1618)', in: Ph. Breuker e.a. (red.), Philologia Frisica anno 1996 . Lezingen fan it fjirtjinde Frysk filologekongres 23, 24 en 25 oktober 1996. Leeuwarden 1998, p. 185-208.

·          'De drie deugden des toneelstijls in Vondels `Berecht' bij Jeptha ', in: TNTL 114 (1998), p. 226-233.

·          Lemma `Klassizismus/Klassik. Niederlande', in: G. Ueding (red.), Historisches Wörterbuch der Rhetorik. Bd 4, Tübingen, 1998, kk. 1050-1055.

·          'The emblem theoryandaudience of Jacob Cats', in: John Manning, Karel Porteman and MarcvanVaeck (eds.), Theemblemtradition and theLow Countries . Selected papers of the Leuven International Emblem Conference. 18-23 August, 1996, Imago Figurata Studies Vol. 1b, Turnhout 1999, p. 227-242.

·          'Onderwijs in de Tooneel-Poezije. Een ongepubliceerde poëtica van Ludolph Smids', in: Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde 116 (2000), p. 193-210.

·          `Een Latijnse vertaling van P.C. Hoofts Nederlandsche Historiën ?Huydecoper en De la Rue over Abrahamus Bocstadius', in: De zeventiende eeuw 16.2 (2000), p. 136-155.

·          `De Institutiones oratoriae van G.J. Vossius (1577-1649)', in: Lampas 34 (2001), p. 373-390.

·          `Het geslaagde spreken: welsprekendheid als beroepsbe-kwaamheid in de zeventiende eeuw', in: De zeventiende eeuw 18.1 (2002), p. 31-42.

.

Redacteurschap van wetenschappelijke bundels

·         

Visie in veelvoud

. Opstellen van prof. dr. E.K. Grootes over zeventiende-eeuwse letterkunde ter gelegenheidvan zijn zestigste verjaardagverzameld door M. Spiesen J. Jansen. Amsterdam 1996.

·          Omnibus idem . Opstellen over P.C. Hooft ter gelegenheid van zijn driehonderdvijftigste sterfdag, onder redactie van Jeroen Jansen. Hilversum 1997.

·          Zeven maal Hooft . Lezingen ter gelegenheid van de 350ste sterfdag vanP.C. Hooft, uitgesproken op het herdenkingscongres in de Amsterdamse Agnietenkapel op 21 mei 1997, onder redactie van Jeroen Jansen.Amsterdam 1997.

 

Tekstedities

·          Teksteditie met annotatie van W.G. V. Focquenbroch,

De min in 't Lazarushuis

. Amsterdam 1987.

·          Henricus Chastelain, De Studio Oratorio (1703). On the study of eloquence . Edited, introduced and translated by Chris L. Heesakkers and Jeroen Jansen, with the co-operation of Wilhelmina G. Kamerbeek, Amsterdam, AD&L, 1999.

Monografieën

·          Brevitas. Beschouwingen over de beknoptheid van vorm en stijl in de renaissance (2 dln). Proefschrift Universiteit van Amsterdam. Hilversum: Verloren, 1995. [947 pp.]

 ·        Decorum. Observaties over de literaire gepastheid in de renaissancistische poëtica. Hilversum: Verloren, 2001.  ISBN 90-6550-671-3.

·       Imitatio. Literaire navolging ( imitatio auctorum ) in de Europese letterkunde van de renaissance (1500-1700). Hilversum, Verloren, 2008.  

Een samenvatting van Imitatio is te vinden op

Recente publicaties en lezingen

Artikelen en edities

- `Purity and the Language of the Court in the Late-Sixteenth- and Seven-teenth-Century Netherlands', in: Fiona Somerset, Nicholas Watson (eds.), The Vulgar Tongue: Medieval and Postmedieval Vernacularity , Penn State Press 2003, p. 166-176.

- `Dichtkunst en schilderkunst als (stief)zusters. Iets over literair en picturaal realisme', in: Marc van Vaeck, Hugo Brems, Geert H.M. Claassens (red.), De steen van Alciato. Literatuur en visuele cultuurin de Nederlanden. Opstellen voorprof. dr. Karel Porteman bij zijn emeritaat , Leuven 2003, p. 211-227.

- `Geleende praal. Oorspronkelijkheid, navolgingen plagiaat in de zeventiende eeuw', in: Neerlandica extra Muros 42 (2004), nr. 1, p. 5-17.

- Lemma `Rede. Niederlande', in:G. Ueding (red.), Histori-sches Wörterbuch der Rhetorik, Bd 7, Tübingen, 2005, kk. 743-751.

- Lemma `Rhetorik. Institutionengeschichte: Niederlande', in: G. Ueding (red.), Histori-sches Wörterbuch der Rhetorik, Bd 7, Tübingen, 2005, k. 1691-1699.

- `Rhetorik. Institutionengeschichte: Niederlande', in: G. Ueding (red.), Rhetorik. Begriff - Geschichte -Internationalität , Max Niemeyer Verlag, Tübingen 2005, p. 178-184.

- `Imitatie in de zestiende en zeventiende eeuw. Ten geleide'. In: De zeventiende eeuw 21.2 (2005), p. 179-180 [samen met Elmer Kolfin].

`Anders of beter. Emulatie in de renaissancistische literatuur-the-orie'. In: De zeventiende eeuw 21.2 (2005), p. 181-197.

  `Petrarca en de Nederlandstalige lyriek in de zestiende eeuw. Populariteit, imitatie en oorspronkelijkheid'. In: Incontri. Rivista europea di studi italiani 20 (2005), p. 17-27.

- P.C. Hooft en S. Coster, Warenar . Teksteditie, Deltareeks, Bert Bakker, Amsterdam 2004.

- P.C. Hooft, Rede over de waardigheid van de poëzie. Reden vande Waerdicheit der Poesie , met een inleiding, hertaling en commentaar door Jeroen Jansen, Amersfoort, Florivallis, 2005.

- `Hooft and Lipsius', in: DirkSacré,Jeanine De Landtsheer (eds.), Justus Lipsius and his heritage , Leuven 2007, p. [te verschijnen in2007]

- `Het genoegen is al hetgoede.Hoofts visieopgenotinde `Reden vande Waerdicheit der Poesie': filosofie of rhetorica?', in: Lias 32.2 (2005), p. 222-268.

- `P.C. Hooft, lecteur et imitateur de Montaigne', in: P. Smith (red.),   Montaigne and the Low Countries / Montaigne et les Pays-Bas (1580-1700), Leiden, Brill, 2007.

- `Consolation' , in: H. Brinkman, J. Jansen en M. Mathijsen (red.), Helden bestaan! Opstellen voor Herman Pleij bij zijn afscheid als hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde aan de Universi-teit van Amsterdam , Amsterdam, Bert Bakker, 2008, p. 300-303.

- `Helden bestaan!', in: H. Brinkman, J. Jansen en M. Mathijsen (red.), Helden bestaan! Opstellen voor Herman Pleij bij zijn afscheid als hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde aan de Universi-teit van Amsterdam , Amsterdam, Bert Bakker, 2008, p. 9-11.

- Imitatio. Literaire navolging (imitatio auctorum) in de Europese letterkunde van de renaissance (1500-1700) . Hilversum, Verloren, 2008. 544 pp.

- Jansen, J. & Brinkman, H.,   & Mathijsen, M.; Helden bestaan! Opstellen voor Herman Pleij bij zijn afscheid als hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde aan de Universi-teit van Amsterdam , Amsterdam, Bert Bakker, 2008, 325 pp.

- `Vondels "Aenleidinge". Polyfonie en dialogisme',in: Neerlandistiek.nl 09.02 (mei 2009).

- `Magdalena Stockmans en Bredero', in: Yra van Dijk (red.), `Geloof mij Uw oprechte en danbare Vriend'. Brieven uit de Nederlandse letteren, verzameld en van commentaar voorzien door vrienden vanMarita Mathijsen 30 oktober 2009, www.DBNL.org,p. 12-17.

 

Boekbesprekingen

  - Recensie van: M. Disselkamp. Barockheroismus. Konzeptionen `politischer' Größe in Literatur und Traktatistik des 17. Jahrhunderts . (Frühe Neuzeit, Band 65.). Tübingen, Max Niemeyer Verlag, 2002, in: De zeventiende eeuw 19.1 (2003), p. 141.

- Recensie van: Sari Kivistö. Creating Anti-Eloquence. `Epistolae obscurorum virorum' and the Humanist Polemics on Style . (Commentationes Humanarum Litterarum 118 2002) Tammisaari/Ekenäs: Societas Scientiarum Fennica, 2002, in: Renaissance Quarterly 56.3 (Autumn 2003), p. 864-865.

- Recensie van: Th. Borgstedt und W. Schmitz (Hrsg.). Martin Opitz (1597-1639). Nachahmung-s-poetik und Lebenswelt . (Frühe Neuzeit, Band 63.). Tübingen, Max Niemeyer Verlag, 2002, in: De zeventiende eeuw 19.1 (2003), p. 140-141.

- Recensie van: Symon Andriessoon, Duytsche Adagia ofte Spreecwoorden. Antwerp, Heynrick Alssens, 1550 . In facsimile, transcriptionofthe Dutch text and English translation.Editedby MarkA.Meadow and Anneke C.G.Fleurkens. With two introductory texts by S.A.C. Dudok van Heel and Herman Roodenburg. Hilversum, Verloren, 2003. 334 pp., gebonden, geïllustreerd, ISBN 90-6550-720-5, Euro 25,-. In: Neder-L . 0401.11 (12 januari 2004)

- Recensie van: Olga Tellegen-Couperus (ed.), Quintilian and the Law. The Art of Persuasion in Law and Politics , Leuven, Universitaire Pers Leuven, 2003. 332 pp., ISBN 90-5867-301-3. In: Nieuwsbrief International Society for the History of Rhetoric - afd. Benelux 2004/1, 1 juni 2004.

- Recensie van: Dietmar Till, TransformationenderRhetorik.Untersuchungen zum Wandel der Rhetoriktheorie im 17. und 18. Jahrhundert. Frühe Neuzeit. Band 91, Tübingen, Max Niemeyer Verlag, 2004. In: Nieuwsbrief Internatio-nal Society for the History of Rhetoric - afd. Benelux   2004/1, 1 juni 2004.

- Recensie van: Karel van Mander, Olijf-Bergh 1609 . Voor het eerst heruitgege-ven met inleiding, annotatie, weergave van de opgespoorde bronteksten en een register van namen door P.E.L. Verkuyl, Hilversum, Verloren, 2004. 2 delen, 267 + 335 blz., gebonden, ISBN 90-6550-756-6, Euro 55,-. In: Neder-L . 04.05.28 (29 mei 2004)

- Recensie van: Dietmar Till, Transformationen der Rhetorik. Untersuchungen zum Wandel der Rhetoriktheorie im 17. und 18. Jahrhundert. Frühe Neuzeit. Band 91, Tübingen, Max Niemeyer Verlag, 2004. In: De zeventiende eeuw 20.2 (2004), p. 366-367.

- Bespreking van: Nicolinevan der Sijs, met hertalingen van PietVerhoeff, Taal als mensenwerk:het ontstaan van het ABN . DenHaag 2004. In: Nieuwsbrief Internatio-nal Societyfor the History of Rhetoric -afd. Benelux   2004/2, 1 december 2004.

- Bespreking van: Piet Gerbrandy, Eensteeneik op de rotsen. Over poëzie en retorica , Amsterdam 2003. In: Nieuwsbrief Internatio-nal Society for the History of Rhetoric - afd. Benelux   2004/2, 1 december 2004.

- Bespreking van: Herman Roodenburg, The Eloquence of the Body. Perspectives on gesture in the Dutch Republic , Zwolle, Waanders, 2004. In: Nieuwsbrief Internatio-nal Society for the History of Rhetoric - afd. Benelux   2005/1, 1 juni 2005.

- Bespreking van: Thijs Weststeijn, De Zichtbare Wereld. Samuel van Hoogstratens kunsttheorie en de legitimering van de schilderkunst in de zeventiende eeuw . Dl 1. Tekst; Deel 2. Noten, bibliografie en afbeeldingen. Dissertatie Universiteit van Amsterdam. In: Nieuwsbrief Internatio-nal Society for the History of Rhetoric - afd. Benelux 2005/2, 1 december 2005.

- Bespreking van: Marieke van den Doel e.a. (eds.), The Learned Eye. Regarding art, theory, and the artist's reputation . Essays for Ernst van de Wetering, Amsterdam University Press, Amsterdam 2005.In: Nieuwsbrief Internatio-nal Society for the History of Rhetoric - afd. Benelux 2005/2, 1 december 2005.

- Bespreking van: A. Frank-van Westrienen, Het schoolschrift van Pieter Teding van Berkhout. Vergezicht op gymnasiaal onderwijs in de zeventiende-eeuwse Nederlanden . Hilversum, Verloren, 2007. In: Nieuwsbrief Internatio-nal Societyfor theHistory of Rhetoric - afd. Benelux 2008/1, 1 juni 2008. (ook verschenen in: Neder-L , 0806.36 (20 juni 2008)).

- `Praatjes in de zeventiende eeuw'. Bespreking van: Clazina Dingemanse, Rap van tong, scherp van pen. Literaire discussiecul-tuur in praatjespamfletten (circa 1600-1750) . Hilversum, Verloren, 2008. In: Tijdschrift voor geschiede-nis (2008), p. 483-484.

- `In margine: Overvloed en onbehagen'. Bespreking van: Karel Porteman en Mieke B. Smits-Veldt, Een nieuw vaderland voor de muzen. Geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700 . Amsterdam: Bert Bakker, 2008. In: Spiegel der letteren 50 (2008), nr 3, p. 81-90.

- `Gesprekscultuur in praatjespamfletten'. Bespreking van: Clazina Dingemanse, Rap van tong, scherp van pen. Literaire discussiecul-tuur in praatjespamfletten (circa 1600-1750) . Hilversum, Verloren, 2008. In: Nieuwsbrief Internatio-nal Society for the History of Rhetoric - afd. Benelux 2008/2, december 2008.

-   Bespreking van: Jean Wagemans, Redelijkheid en overredings-kracht van argumentatie. Een historisch-filosofische studie over de combinatie van het dialectische en het retorische perspectief op argumentatie in de pragma-dialectische argumentatietheorie . Diss. UvA., Amsterdam, 2009. In: Nieuwsbrief Internatio-nal Society for the History of Rhetoric - afd. Benelux 2009/2, 1 december 2009.

Voordrachten

  -         17-07-2003. `Daniel Heinsius between Aristotle and Quintilian'. Conference: International Society for the History of Rhetoric , Madrid en Calahorra; 14-07-2003 t/m 19-07-2003

-           20 januari 2004. `Die Anfänge der literarischen Renaissance in den Niederlan-den'. Lezing op de Freie Universität Berlin.

-           20 januari 2004. `Plagiat in der niederländischen Literatur'. Lezing op de Freie Universität Berlin.

-           23 april 2004. `Anders of beter. Emulatie in de renaissancistische literatuurtheorie'. Lezing op het congres Wie het zelfde anders zegt, zegt iets anders. Imitatie in vroegmodern Europa . Amsterdam, Universiteit van Amsterdam. Oudemanhuispoort.

-           16 oktober 2004. `Petrarca en de Nederlandstalige lyriek in de zestiende eeuw. Populariteit, imitatie en oorspronkelijkheid'. Literatuurdag 2004 Dante Alighieri Utrecht. Italiaanse taal en cultuur. Utrecht, Moluks Historisch Museum.

-           11 maart 2005. `Retorica en vermaak'. Opening van het congres ter gelegenheid van hetafscheid vanprof. A.C. Braet als hoogleraar `Geschiedenis van de retorica'. Amsterdam.

-           2 september 2005. `P.C. Hooft,lecteuret imi-tateur de Montaigne'. Lezing op het congres `Montaigne and the Low Countries/ Mon-taigne et les Pays-Bas (1580-1700)'. Internationaal congresUniversiteitLeiden 1-2september 2005.

-           13 januari 2006. `P.C. Hoofts"Reden vande waerdicheit der Poesie" als redevoering'. Voordracht op de jaarlijkse bijeenkomst van de afdeling Benelux van de International Society for the History of Rhetoric . Amsterdam. 

- 25 oktober 2006 `Drama-performances and perspicuity. Signals on textual comprehension in seventeenth-century Dutch drama-theory'. Voordracht op het congres Textperformanzen im Mittelalter und der frühen Neuzeit , NIAS, Wassenaar. 

- (14-03-2008); `Over het algemene en het bijzonde-re'. Symposium Literaire imitatie. Mogelijkheden en perspectieven . Amsterdam

-   (15-10-2008); `"Soo 't u, met diamant, lust op een glas te stippen...". De opvoering van historisch toneel'. Symposium Het Toonneel is op ende om het Huys te Muyden . Stichting Kwast, Santpoort.

- 24-07-2009); `Emulation as a rhetorical value' - Conference: International Society for the History of Rhetoric , Montreal, Mc Gill; 22-07-2009 t/m 26-07-2009.  

Amsterdam School for Culture and History

Research Group `Cultural memory, rhetoric and literary discourse'

Mythologie, geschiedenis en politieke actualiteit anno 1606

Nieuw artikel in het nieuwe tijdschrift Arte nuevo over de argumentatieve opbouw van Jacob Duyms Ghedenck-boeck

 

`That is where God comes in. Jacob Duym's Ghedenck-boeck (1606) as argumentati­ve discourse’, in: Arte Nuevo. Revista de Estudios áureos 1 (2014), 40-63

 en klik vervolgens op het rechthoekige kader van het tijdschrift links

 Heldendom in herinnering

`Heldendom in herinnering. Mythologie en geschiedenis in Jacob Duyms Nassausche Perseus’, in: Spiegel der Letteren 56.2 (2014), p. 155-181. Hieronder vind je een Pdf van het artikel.

G.J. Vossius over imitatie

In 2012 verscheen mijn artikel over de uitgave van G.J. Vossius' poëtica (ed. Jan Bloemendal), in: Nieuwsbrief Neolatinistenverband , no 25 (sept. 2012).

Samenvatting van: Jeroen Jansen. Imitatio. Literaire navolging (imitatio auctorum) in de Europese letterkunde van de renaissance (1500-1700). Hilversum,Verloren, 2008

Wie in de renaissance literatuur bedreef, baseerde zich op bestaand materiaal, maar kon zich in de manier van bewerken binnen bepaalde grenzen volop in creativiteit en oorspronke­lijkheid uitleven. Gezien de vanzelf­spre­kende aanwezigheid van imitatio auctorum in de letterkundige theorie en praktijk van deze periode heeft het me altijd verbaasd dat we zo weinig weten over de manier waarop imitatie geleerd kon worden. In eigentijd­se poëtica's wordt het verschijnsel ook weinig uitgesproken behandeld, en een beschrijving van het procédé zelf ontbreekt daar: wat houdt imitatie op school precies in, wat kon hierin worden aangeleerd en wat moest worden overgelaten aan de beschikbare aanleg, maar ook: hoe effectueerde zich dit bij de voortreffe­lijke (en minder succesvolle) dichter en in welke vormen van navolging zien we bij topauteurs de weerslag van onderwijs, vakbekwaamheid en talent? Deze studie verschaft, vanuit de situatie in de Nederlanden in hun culturele relatie met landen als Italië en Frank­rijk, inzicht in de vraag hoe natura en ars van invloed zijn op het verschijnsel `imitatie', dat wil zeggen in welke mate het een leerbaar verschijn­sel betreft. Dit impliceert dat de mogelijk­he­den om te leren imiteren als uitgangspunt fungeren. De belangrijkste aspecten van de schoolprak­tijk worden, met name vanuit verhandelingen die in het onderwijs werden gebruikt of die voor de zich ontwikke­lende, jonge, dichter werden vervaardigd, in deel II (`Op school') behandeld. In deel III (`In het literaire veld') wordt dan opnieuw naar de overwegingen, drijfveren en belemmerin­gen van volwassen, meer of minder geslaagde schrijvers gekeken.

In het eerste deel bespreek ik ter inleiding een aantal veronderstel­lingen en uitgangspunten teneinde de onderzoeksvraag scherper te krijgen. De mate waarin imitatie leerbaar is, lijkt inderdaad een belangrijk gegeven. Niet voor niets reiken de adviezen over imitatie in de belangrijkste poëtica's eigenlijk niet veel verder dan wat al op de Latijnse school in basisoefeningen zal zijn geleerd. Wat topauteurs tot zo'n hoog niveau moet hebben gebracht, was voor anderen onbereikbaar omdat het onleerbaar was. Veel hing immers af van de aanleg en creativiteit van de navolgende dichter. Het wél leerbare van imitatie werd voor een belangrijk deel behandeld door het schoolprogram­ma, theoretische beschouwin­gen (in welke vorm ook), en de literaire praktijk. Bij analyse van succesvolle, literaire teksten blijkt het niet gemakkelijk de veranderin­gen ten aanzien van het voorbeeld precies te duiden. Om te illustreren welk soort van analyse zeventiende-eeuwse auteurs zouden moeten maken om uit de literaire praktijk te kunnen leren hoe hun succesvolle collega's te werk waren gegaan, werd in hoofdstuk 1 gekozen voor een korte analyse van twee toneelstuk­ken van vermaarde toneeldich­ters waarvan de bron(nen) bekend zijn: Joost van den Vondels Jeptha en Samuel Costers Polyxena. Beide toneeldichters voegden toe, schrapten verzen en passages, herordenden het materiaal, karakteriseerden personages op een iets andere wijze en veranderden uitspraken en structuur. Ze deden dit klaarblijke­lijk met de bedoeling een nieuw, coherent en volwaardig Nederlands drama te vervaardi­gen, dat (van een eigen, nieuw publiek) waardering zou kunnen krijgen en voldeed aan bepaalde eigen inzichten (smaak) en poëticale eisen. Deze eisen konden geformuleerd zijn in aloude wetten (Horatius, Aristoteles) of waren tot stand gekomen door een nieuwe interpretatie hiervan (Heinsius, Vossius). Ook kon de dichter zijn materiaal eventueel afstemmen op theologi­sche vraagstuk­ken (in het geval van Vondel) en aanpassen aan meer eigentijdse modes (vermijden van monologen, horror) en actuele omstandigheden. Pas na intensieve analyse van voorbeeld en navolging kunnen conclusies getrokken worden over de werkwijze en de mogelijke achtergronden van de adaptatie.

In hoofdstuk 2 worden de interpretatieve probleem­velden rond het verschijnsel `imitatie' geschetst om de breedte van het onderzoeks­ter­rein te verkennen en de vraagstelling te verfijnen. Het begrip kent gedurende de eeuwen en in verschillende contexten een steeds wisselende inhoud, die ook nog afhankelijk is van de cultuur, de taal en de periode, van de bedoeling die een auteur met zijn definitie heeft, van zijn invalshoek en de plaats van die omschrijving in het geheel. Ter precisering van de vraagstelling ben ik in dit hoofdstuk nader ingegaan op een aantal belangwek­ken­de problemen bij het bestuderen van tekstuele imitatie in theorie en praktijk. De verschillende definities en beschrijvingen van het verschijn­sel `imitatie' zijn reflecties van de maatschappelijke en temporele omstandigheden (renaissance versus roman­tiek), en afgestemd op de diepgang en de aard van het betrokken traktaat (didaktiek versus topica), op de intentie van de auteur (analyse van een literair verschijnsel versus rhetoricale inpassing), of op de veronderstelde kennis van de lezer (geleerden, beginnende dichter, scholier). Uit analyse van contemporai­ne denkbeelden over imitatie, zoals die in Gilio's Topica poetica, Partenio's Della imitatione poetica en Scaligers Poetices libri septem, blijkt de enorme reikwijdte van het verschijnsel. Hiernaast bestaan er raakvlakken en overlappingen met andere vormen van `imitatie', zoals de `mimesis' (imitatio naturae) en de morele navolging van voorbeeldige personen (imitatio morum). Deze vormen hebben niet zelden tot een zekere terminologi­sche verwarring geleid. Waar men in het verleden en heden grip probeert te krijgen op een zo divers en gelaagd poëticaal fenomeen, is het te begrijpen dat indelingen naar soorten en gradaties worden gemaakt. In de meest eenvoudige vorm houden die niet veel meer in dan een onderscheid tussen goede en slechte navolging, dat wil zeggen tussen een meer creatieve en slaafse benadering van voorbeeldteksten. Ook hier zijn de gradaties vloeiend en afhankelijk van subjectief gestuurde waardering. Genuanceerdere indelingen bieden ruimte aan verschillende soorten `goede navolging', een meer slaafse naast een vrijere variant, en die vrijere variant biedt dan een volwassen, dat wil zeggen meer oorspronkelijke, tekstbewerking. Veel meer dan gladde handvatten in het ordenen en hanteerbaar maken van diffuse theorie naast een nog veel grilliger gevormde praktijk wordt hier echter niet geboden.

Het is een belangrijk onderscheid of een adaptatie tevens een vertaling inhoudt, of dat een tekst binnen hetzelfde taalgebied moest worden bewerkt. De Neolatijnse auteur had de beschikking over een gigantisch arsenaal aan canonieke teksten, de dichter in de volkstaal niet: de laatste was in deze periode ook bezig zijn taal te bouwen, formuleringen te zoeken en krachtige wendingen te bedenken. Ook wat betreft de stofvinding zijn er gigantische verschillen: het maakt nogal wat uit of een tragedie bijvoorbeeld geschreven werd op basis van historische stof, bijbelstof, of dat zij uit een mythologi­sche verhalen­reeks gekozen werd, of door omwerking en herordening uit een bekend epos geselec­teerd. Een nieuwe doelgroep, genrewetten, poëticale regels en vigerende normen beïnvloedden in deze gevallen het proces van navolgen in niet geringe mate, en verplichtten een navolgend auteur om soms nauwer aan te sluiten bij zijn voorbeeld(en), soms om meer afstand te bewaren, nu weer om het materiaal diepgaand te bewerken, dan weer om vooral te herordenen en te schiften.

 

Andere aspecten die in dit hoofdstuk aan de orde worden gesteld en die een schakel kunnen vormen naar het ontrafelen van de vraag in welke mate imitatie leerbaar is, zijn het onderscheid tussen stilistische en inhoudelij­ke navolging, de mate waarin imitatie in en vanuit de volkstaal verschilt van de praktijk in de Respublica literaria en de vraag of de navolging al dan niet bewust tot stand is gekomen.

 

Het tweede deel van deze studie is op de schoolpraktijk gericht. In hoofdstuk 3 wordt het analytisch lezen besproken. Uitspraken van belangrijke auteurs over hun leesgedrag geven ons aanwijzingen over verschillen­de manieren van lezen die weer afhankelijk zijn van het specifieke doel en effect dat ermee beoogd was. Op school werd vooral het analytisch lezen gepropa­geerd, teneinde de leerling de inhoud en stijl te laten doorgronden, en hem in voorbeelden bruikbaar materiaal te leren selecteren. De gebruikte argumentatie en opbouw van de leestekst boden de leerling inzicht in hoe hij het materiaal zelfstandig kon verwerken. Dit proces werd in de renaissance veelvuldig met de metafoor van het eten en verwerken (herkauwen, verteren) van voedsel in verband gebracht. Aantekenboek­jes ondersteunden het kritisch lezen. De pasklare wendingen vormden een noodzakelijke schakel tussen lezen en navolgen. Uitspraken die niet in eerste instantie gememoreerd konden worden, werden genoteerd en uit het hoofd geleerd. Erasmus adviseerde in zijn studieprogram­ma De ratione studii om aan het begin en slot van ieder boek dat de studenten lazen kernachtige, gevatte uitspraken te noteren. Dit soort activiteiten was op verschillende leerniveaus onderdeel van het schoolprogram­ma. De bedoeling ervan was allereerst om goed Latijn te leren. Bovendien maakte de scholier op deze manier kennis met een diversiteit aan auteurs, stijlen en soorten taal. Maar ook het selecteren zelf had een functie. Het scherpte de geest en vormde het iudicium van de leerling, wat uitermate nuttig was voor de ontwikkeling van een succesvolle imitatio auctorum. De manier waarop de uitspraken en wendingen die in het geheugen waren opgeslagen, op het juiste moment tevoorschijn werden gehaald en toegepast, vormde een onderdeel van de eigen creativiteit (en talent). Ook hiertoe was oefening noodzakelijk: In De copia had Erasmus zesentwin­tig manieren onderscheiden om een citaat in een tekst op te nemen, en hij besprak uitvoerig hoe sententies, gemeenplaat­sen en voorbeelden moesten worden ingepast. Een aparte plaats in het onderwijs kregen de klassieke progymnasmata, voorberei­dende oefeningen in het schrijven van declamaties of `spreekbeurten'.

 

Aschams Schole­mas­ter (1570) richtte zich onder meer op kinderen die - in een op (Erasmus en) Sturm gebaseerd lessysteem - via het vertalen en imiteren Latijn moesten leren begrijpen, spreken en schrijven (hoofdstuk 4). Als oefeningen hiertoe werden onder andere de omzettingsprocédés `metaphrasis' en `paraphrasis' gehanteerd, in feite praktische voorstudie voor het leren imiteren. Dat gold ook voor het `dubbele vertalen' (Latijn-Engels-Latijn), waarmee de kennis van talen, grammatica en stijl maar ook het variëren van formulerin­gen op een fundamenteel niveau werd getraind. Interessant zijn ook Aschams aanwijzingen hoe de scholier een passage bij Cicero kon analy­seren op basis van een vergelij­king met de bron (Demosthenes). Bij het navolgen van `goede schrijvers' werd in het zestiende-eeuwse onderwijs gebruikt gemaakt van theorie die voor een belangrijk deel gefundeerd was op het tiende boek van Quintilianus' Institutio oratoria. Het illustratie­materi­aal alsmede de aanbevolen voorbeelden wisselden relatief sterk, omdat de keuze ervan mede afhing van de gehanteerde didaktiek. In het algemeen echter werd zoveel mogelijk uitgegaan van de capaciteiten die de individuele student bezat. Terwijl de meest vooraan­staande klassieke auteurs (uit de Gouden Latiniteit) wél als de meest geschikte voorbeelden doorgingen, werd algemeen een slag om de arm gehouden bij de keuze van concrete voorbeeldteksten: jonge scholieren kregen niet al te lastige passages in niet al te omvangrijke vorm, terwijl ook de meer complexe genres werden vermeden. Daarmee konden soms ook minder gevierde tekstsoorten zoals de pastorale en het lofdicht in het lesprogramma worden opgenomen, alsmede jeugdwerk van bekende auteurs. Tot de ontwikkeling van een persoonlijke stijl moest de scholier niet alleen zijn individualiteit nader verkennen, maar diende hij ook een analyse van voorbeeldauteurs en -teksten te maken, waartoe hij eerst zijn inzicht (iudicium) moest scherpen. Dit vermogen hielp hem tevens om de omvang van de overname te bepalen, passages op een zinvolle manier te schrappen en eigen tekst toe te voegen, alsmede om zich te ontwikkelen in vormgeving (verba), ordening en inventio. De eerste fase in stijlontwik­ke­ling bestond globaal uit een kennismaking met alle klassieke topauteurs en vervolgens uit een toespitsing op diegenen waartoe hij zich vanuit zijn geaardheid aangetrokken voelde. Het vertalen, een standaar­d­oefening op de Latijnse school, verhoogde de taalvaar­dig­heid, terwijl tevens het inzicht van de scholier (tekstbegrip) werd getoetst.

 

De verschillende manieren om bronteksten te bewerken en te verrijken zoals Erasmus die in De copia rerum had behandeld, worden in hoofdstuk 5 behandeld. Het uitwerken en omvormen kent zowel een talig (stilis­tisch) als een gedachteniveau. De ideeën tot dit soort ingrepen waren in de klassieke rhetorica ontwikkeld. Op het bewerkings­procédé van inkorten en uitbreiden, het kort en overvloedig bespreken van een onderwerp, was in de Oudheid reeds gewezen: door anderen behandelde stof hoefde niet gemeden te worden, maar men moest proberen het beter dan die voorganger te doen. Door gebruik te maken van de rhetorica kon men zich op verschil­len­de manieren over hetzelfde onderwerp uitspreken, en bijvoorbeeld het grote klein, en het kleine grootheid laten toekomen; het oude kon worden vernieuwd, en het nieuwe op een ouderwetse manier tot uitdrukking worden gebracht.­ Deze ideeën werden eveneens in latere perioden, op basis van met name de Rhetorica ad Herennium en Quintilianus' Institutio oratoria, dankbaar benut onder de noemer quadripar­ti­ta ratio, een aantal rhetori­ca­le basisstra­te­gieën waarmee de taal op verschillen­de linguïsti­sche niveaus kon worden gevarieerd. Het waren voor de hand liggende princi­pes: uitbreiding (adiectio) van de stof, inkorting (detracti­o), verwisseling (immutatio) en verplaatsing (transmutati­o). Met deze formules kon een leerling een zelfde onderwerp of thema op verschillende manieren leren presenteren. De volwassen auteur bood dit principe een handvat om voorbeeld­stof tot een nieuwe creatie om te werken. Kortom, de quadripartita ratio lever­de de student of auteur een pasklaar kader voor het veranderen van woorden tot het omvormen van hele teksten. Omdat het hier in aanzet relatief mechanische bewerkings­procédés betrof die een hoge mate van aanleer­baarheid bezaten, konden de betreffende technieken al in een vroeg stadium op school onderwezen worden, bijvoorbeeld bij het verbeteren van eigen schrijfsels, en zijn ze zowel in renaissan­cistische poëtica's (Sturmius, Riccius) als in rhetorica's en schoolboek­jes (Erasmus) terug te vinden. Ze zijn echter ook uit de klassieke praktijk te herleiden.

Het derde deel van deze studie is aan het literaire veld gewijd: de manier waarop de volwassen auteur met de literaire theorie en praktijk rond literaire navolging omging. In hoofdstuk 6 wordt geïllustreerd hoe de Latijnen en Grieken zich, vanuit de renais­sancisti­sche literatuurkritiek, in verschillende domeinen van literaire navolging bevonden. In een periode of situatie waarin de roep om originaliteit, zuiverheid, natuurlijkheid, en eenvoud sterker in de theorie doorklonk, werd de blik eerder naar Griekse auteurs gericht. Het ultieme voorbeeld van klassieke navolging bood Vergilius, terwijl Homerus als eerste dichter gemakkelijker met de geboorte van de dichtkunst en daarmee met oorspronkelijk­heid kon worden geïdentifi­ceerd. Die geboorte impliceerde natuurlijk­heid, de natuurlijke neiging tot uitbeelden, de aangeboren vaardigheid tot imitatie en stofvinding. Toch was inventio tot op zekere hoogte te ontwikkelen, namelijk in zoverre de dichter door zijn inzicht (iudicium) naar goede voorbeelden werd geleid en creatief kon omgaan met diverse modellen. De geestesgesteldheid van de auteur vormde een bepalende factor voor de relatie die tot specifieke voorbeelden werd aangehouden. Dit wordt in dit hoofdstuk geïllustreerd aan de hand van aanwijzingen die de ontwikke­ling van een persoonlijke stijl in gang moesten zetten. Om elke gekunsteldheid te voorkomen diende de na te volgen stijl aan te sluiten bij de persoonlij­ke aard. Het bepalen van deze betrekking berustte op inzicht in karakterovereen­komst, op scholing via getrouwe navolging en op nauwkeurige bestudering van het voorbeeld, maar werd ook wel opgehangen aan stijlgenera­ties of nationali­tei­ten.

Het citaat wordt in hoofdstuk 7 als een aparte vorm van imiteren met verschillende vormen en functies behandeld. Getrouw citeren was vreemd aan een periode waarin het toekennen van autoriteit, het krachtig funderen van de eigen inzichten, en gedachtespel de belangrijkste toepassingen moeten zijn geweest. In de literaire kritiek stuitte de aanhaling, maar vooral het veelvuldig gebruik van andermans stof uit de tweede hand (via florilegia), op bezwaren waar, al dan niet vanuit neoplatoon­se overwegingen, aan de dichterlijke natuur een groter belang werd toegekend. Van alle literaire functies die aan het citaat in deze periode mogen worden toegekend, is die van het gedachtespel wellicht de meest boeiende, maar voor de onderzoeker ook het lastigst te achterhalen. Het op de juiste waarde schatten van de geïntendeerde werking vergt immers kennis van twee contexten, alsmede van auteur en lezer. Dat juist deze vorm, met name in de geleerdenbrief, populair was, heeft ongetwij­feld te maken met het dubbele genoegen, dat van de lezer die de oorspronkelijke context herkende en de vergelijking kon wegen, en dat van de auteur in diens veronderstelde `wedijver' met het voorbeeld. Montaigne maakte zijn lezers deelgenoot van zijn specifieke interpretaties. De citaten, die hij meestal uit het hoofd zegde aan te wenden, boden hem vooral een krachtige bewoording. Hoe verheven ons dit mag voorkomen, het triviale aspect dient ook te worden meegewogen. Montaigne gebruikte compilatiewerken en de hooggeachte, dichterlijke inventio zal ook bij hem in sommige gevallen louter uit bladeren in dit soort bundeltjes hebben bestaan.

Horatius had gewezen op de noodzaak van creativiteit en oorspronkelijk­heid, maar dan voortkomend uit het bekende, uit de literaire traditie (famam sequere). Dit spel met oud en nieuw werd in de renaissance zowel voor inhoudelijke als voor stilistische navolging opgepakt (hoofdstuk 8). Petrarca stelde in een aantal van zijn brieven het probleem van de literaire afhankelijkheid aan de orde en gebruikte de bijenmetafoor om zijn visie op de vorming van een persoonlijke stijl te verduidelij­ken. Die vorming kon overigens pas onder invloed van (bewonderde) voorbeelden gestalte krijgen, iets wat de prille, in de volkstaal schrijvende literator aanvankelijk voor nogal wat problemen stelde: de Romeinse cultuur had een gigantische autoriteitswaarde, maar juist bij de opbouw van het Italiaans, Frans, Nederlands en al die andere Europese volkstalen zorgde een gebrek aan zelfbewustzijn voor een remmende werking. Imitatie van de klassieken kon zo tegelijkertijd een stimulerende en ontmoedigende functie vervullen, een paradox die pas na vele decennia lijkt te worden opgeheven, wanneer het zelfbeeld, mede door kritische distantie ten aanzien van de Oudheid, was verbeterd. In de Nederlanden zou dit eigenlijk pas ná 1650 gebeuren, in een periode waarin de sterke invloed van de Franse cultuur een helpende hand bood.

In hoofdstuk 9 wordt uiteengezet hoe creativiteit en originaliteit een vaste plaats in literair hergebruik konden krijgen. Bewerkingen konden hun parallellen met de brontekst onbenoemd laten, maar ze ook bewust aan de lezer laten zien, of hem uitnodigen beide versies (origineel en navolging) met elkaar te vergelijken. Waar bijbelse en historische stof werd bewerkt, moesten poëticale obstakels uit de weg worden geruimd. Bijbelstof was vanuit morele redenen geliefd, historiestof op nationale gronden, maar over de dichterlijke ingrepen in die stof werd breed gediscus­sieerd. Het probleem laat zich vergelijken met het afwijken van de klassieken, het verstoren van de poëticale traditie die de tragedie om allerlei redenen (de stof, de naamgeving van personages, regels voor de vorm) altijd zo nauw omarmde. Een van de verlokkingen tot deviatie werd ingegeven door de smaak van het publiek, zoals de roep om spektakelto­neel, waartoe bij Lodewyk Meijer een uitvoerige verantwoording van stofkeuze en bewerkings­procédés te lezen is. Tegelijker­tijd kon Meijer aansluiten bij een lange poëticale traditie, die vernieuwing en oorspronkelijkheid als vereisten voor creatief imiteren beschouwde.

De renaissance is niet alleen een periode van taalbouw, maar ook van de vervlechting van klassieke, heidense, stof met christelijke waarden (de translatio studii-gedachte). Soms werd de competitie tussen de klassieke en christelijke traditie aangegrepen om ter inleiding te motiveren waarom een klassiek, heidens thema was gekozen, waarbij de lezer werd aangespoord in dit thema de christelij­ke waarde te onderkennen. Hoe originaliteit een vast aandachtspunt bij het bewerken van bestaande stof kon vormen, die ook nog eens aan strenge, aan Aristoteles ontleende, regels was gebonden, leert ons Castelvetro. Hij stelt hoge eisen van oorspronkelijkheid aan dichtkunstige verzinsels, die immers niet al door een andere dichter mochten zijn gebruikt. Wanneer de tragedie­dichter voorgevallen gebeurtenissen of reeds door andere dichters gebruikte verzinsels hergebruik­te, was hij bij ontlening aan een andere taal een `vertaler', bij hergebruik in de eigen taal een `dief'. Het probleem deed zich speciaal voor bij het hergebruik van bekende historiestof: wie er veranderin­gen in aanbracht was volgens Castelvetro een vervalser, wie niets veranderde, maakte zich schuldig aan diefstal.

 

Omdat de imitatio auctorum per definitie een element van oorspronkelijk­heid in zich bergt, wordt er in de zeventiende eeuw volop ruimte gelaten voor auteurs die nieuwheid (novitas) verlangden en werden in de literaire praktijk relatief hoge eisen gesteld aan vinding­rijk­heid. Ook werden auteurs gestimuleerd tot experimente­ren, zoals in de manier waarop de natuur werd uitgebeeld, het gebruik van fantasie, het taalgebruik (gezochte vergelijkin­gen, gewaagde metaforen), het aanwenden van scherpzinnig­heid en in het selecteren en manipuleren van lezers door een opvallende hantering van modelteksten die de context `verschoven'.

 In hoofdstuk 10 wordt vanuit de literatuurkritiek een aantal aspecten rond aemulatio besproken. Er blijken nogal wat problemen aan een juiste, tijdgebonden interpretatie van het verschijnsel te kleven. Vanuit de idee dat een navolging in de renaissance een verhoogde waarde kreeg door nieuwvorming en eigen inbreng, lijkt de intentie om met een voorbeeld te wedijveren een geïntegreerd deel van de imitatio auctorum te zijn. Emulatie heeft een belangrijke, intentionele functie in de juridische en politieke redevoering. Bij het `poëticaliseren' van een zo duidelijk rhetorisch geladen begrip ontstaan gemakkelijk interpreta­tieve problemen. Toch wordt het verschijnsel, vanuit de vanzelfsprekendheid van competitie (in welke hoedanigheid we het ook in de schoolbanken aantreffen), gemakkelijk op allerlei literaire aspecten betrokken. In de renaissance vinden we belangrijke reflectie in discussies over de navolging van één of meerdere auteurs en het hierbij beoogde eclecticisme met betrekking tot specifieke inhoudelijke en stilistische eigenschappen van het voorbeeld. In het algemeen opteert men voor een strategie waarbij de auteur uit een aantal voorbeelden het beste dient te selecteren (Zeuxis), waartoe (de ontwikkeling van) inzicht (iudicium) noodzakelijk is. Voor scholieren lijkt daarbij uit een oogpunt van haalbaar­heid ook de navolging van minder gezaghebbende auteurs een optie, terwijl de (beginnende) dichter zich juist aan belangwekkende modellen kon optrekken. In het literaire veld fungeert aemulatio als poëticaal verschijnsel vooral als loftopos om de geslaagdheid van de navolgende dichter of diens literaire product aan te geven. Wanneer anderen zich uitspreken over rivaliteit met of overwinning op het voorbeeld is altijd sprake van een waardeoordeel.

 In hoofdstuk 11 wordt `plagiaat' als een aspect van imitatio auctorum onderzocht. Het blijkt een tamelijk ongrijpbaar gegeven, omdat het verwijt van literaire diefstal enerzijds uit een evident waardeoordeel voortkomt, anderzijds in zijn definitie ook een dergelijke subjectiviteit besluit, bijvoorbeeld waar letterdiefstal aan verondersteld bedrog en aan misleiding van de lezer wordt gerelateerd. Om enig inzicht te krijgen in de aanleiding van plagiaatbe­schul­diging is diepgaande bestudering van de begeleidende omstandigheden noodzakelijk. Deze omstandigheden zullen soms bepaald blijken te zijn door een verondersteld gebrek aan inventivi­teit, tijd, talent, of ijver, een te groot verlangen naar roem, oneerlijk­heid, een persoonlij­ke vete, of door jaloezie bij de lezer, pedanterie en propagan­da. Ook dit zijn waardeoordelen, die meestal een niet-verifieer­baar karakter hebben. Het vrijwel ontbreken van beschuldigingen van letterdiefstal in de Nederlandse situatie zal wel niet te maken hebben met een verhoogde mate van originaliteit in onze Republiek, maar eerder met een ander gevoel van literaire individuali­teit dat door de bloeiende rederijker­scultuur werd gevoed. Toch zegt de constate­ring dat er in de Nederlanden aanvankelijk slechts een beperkt aantal literaire confronta­ties vanuit plagiaatbeschuldi­gingen is aan te wijzen, wellicht meer over de relatief geringe omvang van het poëticale discours in dit taalgebied dan over de aan- of afwezigheid (en het beoordelen) van plagiaat te onzent. Het is immers niet waarschijnlijk dat letterdiefstal bij Nederlands­ta­li­ge auteurs in de renaissance geen aandacht kreeg.

Meermalen werd het verwijt van plagiaat weerlegd door te wijzen op de hiermee verleende hulde aan een nagevolg­de dichter. Dat kon een beroemdheid uit de Oudheid zijn, maar ook een minder bekende tijdgenoot. Evident is dat letterdief­stal in de belangstel­ling komt te staan in iedere periode, elke stroming, of iedere auteursvisie die een relatief sterke hang naar originali­teit (in welke vorm ook) bezit. Dat plagiaat in deze periode als een probleem werd ervaren, blijkt uit de relatief grote aandacht voor versluiering (onder Latijntalige auteurs). Een overname zonder vernieuwing of verbetering en het te letterlijk blijven hangen aan een voorbeeld uit het eigen taalgebied zorgden om begrijpelijke redenen voor problemen, met name in stilistisch opzicht. Enige manipulatie in het versluieringsprocédé zien we wellicht waar de aanpassingen slechts tot doel lijken te hebben om de lezer het ontdekken van de directe bron te beletten. Dergelijk `gemaskeerd plagiaat' werd als zodanig benoemd op grond van de hoeveelheid direct vertaalde tekst. Waar de bronauteur niet bij name werd genoemd maar de auteur wel naar de brontaal verwees, lijkt geen bewuste misleiding in het spel te zijn. Ook het selectief vermelden van bronnen kan bij de huidige literatuur­historicus een verkeerde suggestie wekken. Waar bijvoorbeeld wél de klassieke modellen maar niet de eigentijdse voorbeelden worden vermeld, zouden we kunnen denken aan misleiding, maar er zijn ook andere verklaringen, bijvoorbeeld de grotere waarde en autoriteit die aan de Klassieken werd toegekend. In het omgekeerde geval zou het bekend veronder­stellen van klassieke bronnen een factor kunnen zijn. Van geval tot geval moet door interpretatie worden gewogen welke waarde mogelijke `verzachtende omstandig­heden' bezitten.

Aan het eind van de zeventiende eeuw verscheen een opmerkelijke vloed aan Latijntalige verhandelin­gen met een overzicht van literair plagiaat (in bepaalde perioden) en/of de juridische, kopijrechterlijke aspecten hiervan. Wellicht hing deze plotselinge belangstelling samen met de sterke expansie van het drukkersbedrijf in deze periode. Het was ook de tijd waarin nog geen auteursrecht bestond maar men wel via krantenadvertenties melding ging maken van een voorgenomen druk, om zich tegen roofdrukken te wapenen. Maar de toename aan verhandelingen over plagiaat kunnen ook direct voortkomen uit de veranderde denkbeel­den over oorspronkelijkheid en intellectueel eigendom.

 

© Jeroen Jansen

Copyright © Jeroen Jansen ( j.jansen@uva.nl ). Wanneer u iets aan de inhoud van deze samenvatting wilt ontlenen in een publicatie, vraag het dan eerst even aan mij.

 

De studie Imitatio. Literaire navolging in de Europese letterkunde van de renaissance is verkrijgbaar bij:

De Amsterdamse Schouwburg vanaf de opening in 1638 tot heden.

Artikel in de bundel `Van hof tot overheid' onder redactie van Nico Laan en Jeroen Jansen

Onderzoeksproject: Pretextual Strategies. The Rhetoric of Ethos, Literary Authority and (Con)Textual Identity in Renaissance Preliminary Texts

 

Gerbrand Adriaensz. Bredero (1585-1618)

 

 

Bredero zegt niet voor niets `sorry!'

Artikel over de vraag hoe Bredero zichzelf verontschuldigt en met zelfverwijten en gecreëerde tegenstellingen niet allen de confrontatie aangaat maar ook, op strategische wijze, zichzelf een prima uitgangspositie verwerft:

`Creating disagreement by self-abasement. Apologizing as a means of confrontational strategic maneuvering', in: B.J. Garssen e.a. (eds.), Proceedings of the 8 th International Conference of the International Society for the Study of Argumentation. Amsterdam: Sic Sat, 2015, p. 639-647

ABSTRACT: The analysis of the different stages in a preface to a stage play (1617) by Gerbrand Bredero makes clear that antitheses, exaggerated modesty and self-humiliation may be used as strategic tools in the confrontation stage. The disagreement between protagonist and the primary audience has been created in the confrontation stage by polarizing the parties' attitude towards each other.

 

Voorrede bij Moortje, gericht tot de Latinisten. (in het Engels vertaald)

G.A. Bredero, `Preface' (december 1616) to: G.A. Bredero, Moortje, Waar in hy Terentii Eunuchum heeft Nae-ghevolght. Amsterdam: Paulus van Ravesteyn, 1617

Hoe gaat Bredero, die geen Latijn had geleerd, om met de Klassieken?

 ‘Gerbrand Bredero's handling of Antiquity. Transfer of classical knowledge into seventeenth century vernacular culture'. In: Bettina Noak (eds.). Wissenstransfer und Auctoritas in der frühneuzeitlichen niederländischsprachigen Literatur. Reihe Berliner Mittelalter- und Frühneuzeitforschung. Göttingen; V & R – unipress, 2014,  211-226.

Francesco Badens

Gerbrand Bredero wants to borrow a painting. Proleptic negotiation

In: Journal of Dutch Literature 4.1 (2013), p. 62-87

 

Samenvatting

Een brief van Gerbrand Adriaensz. Bredero aan Badens, zijn schilderleraar, staat hier centraal. Bredero vraagt hem een schilderij te leen om te kopiëren. Het lijkt een eenvoudig, beleefd briefje, maar als we zien hoe handig en doortastend Bredero te werk gaat, opent deze brief nieuwe perspectieven. In dit artikel wordt met name het proleptisch onderhandelen centraal gesteld. De schrijver regelt de onderhandeling voor hemzelf en voor de antagonist (Badens), om tot een gezamenlijk aanvaardbare oplossing te komen. Uiteindelijk buigt hij het onderdanige verzoek om in zijn eigen voordeel...

 

Keywords: Proleptic Negotiation, Bargaining Tactics, Politeness Theory, Argumentation Theory.

 

Strategic maneuvering as an epistolary strategy, anno 1610

In: Journal of Argumentation in Context 1:3.2012. (pp. 267–290) [de link naar het artikel staat beneden]

 

Rond 1610 schrijft Bredero een brief aan zijn schilderleraar Frans Badens, waarin hij een schilderij te leen vraagt om er een kopie van te maken. De handeling van het schrijven (van een brief) vereist een actieve rol in het manipuleren van de reacties van een of meerdere lezers. Hoewel de brief op het eerste gezicht als een louter beleefd stukje correspondentie oogt, beargumenteer ik dat, vanuit een benadering die het strategisch manoeuvreren centraal stelt, Bredero's aanpak beschouwd kan worden als een weldoordachte en mogelijk effectieve strategie die erop gericht is Badens aan zijn belofte te houden. Een analyse vanuit het perspectief van de argumentatietheorie stelt ons in staat bepaalde karakteristieken van en wendingen in deze brief beter te begrijpen. Wat betreft de gebruikte topische middelen (het topisch potentieel) vallen bijvoorbeeld de proleptisch geformuleerde tegenwerpingen van de adressaat op waarmee deze de vervulling van zijn belofte zou kunnen tegenhouden of opschorten. Hoewel Bredero de brief begint vanuit de ogenschijnlijk lage machtspositie van een leerling die aan een leermeester vraagt iets voor hem te doen, mikt Bredero in elke fase van de brief op een redelijke balans in het machtsevenwicht tussen beiden en laat hij die balans vervolgens in zijn eigen voordeel doorslaan.

 

Keywords: proleptic argumentation, pragma-dialectical theory, felicity conditions, request, strategic maneuvering

 

Bredero's Kluchten in de editie 1619

Bredero's Klucht van de koe

Bredero toont zich in de Klucht van de koe een ware rasverteller. Waarom zijn taal en beeldgebruik ons na vier eeuwen nog zo verrassen en boeien, heb ik uiteengezet in een kort artikeltje:

G.A. Bredero, Proza, ed. Jeroen Jansen

Op 16 november 2011 is mijn teksteditie van Bredero's proza  verschenen. Het eerste exemplaar werd aangeboden aan Vastert van Aardenne, artistiek leider van theatergroep De Kale.

Dat G.A. Bredero (1585-1618) tot onze grootste lieddichters en toneelschrijvers behoort, zal niemand betwisten. Zijn prachtige proza is minder bekend. Het is hier voor het eerst in zijn geheel bij elkaar gezet. De voorredes bij Bredero's werk geven veel informatie over literaire denkbeelden en persoonlijke houding. In de redevoeringen, brieven en opdrachten horen we de ontboeze-mingen van een (lyrisch) 'ik' die in bloemrijke taal over zijn gevoelens en gedachten spreekt. Bescheidenheid en beleefdheid horen tot zijn handelsmerk, maar tegelijkertijd probeert hij doortastend toenadering te zoeken, een wens in vervulling te laten gaan, een vraag beantwoord tekrijgenof een afspraakje te maken. In de inleiding van deze editie worden onder meer het leven, werk en de scholing van Bredero besproken en wordt het proza gekarakteriseerd wat betreft stijl en opbouw. De teksten zijn naar de eerste gedrukte uitgave weergegeven, met een vertaling in modern Nederlands en toelichting.

Bloemrijk en sfeervol, uitbundig en melancholiek, is de Bredero die Jansen presenteert. Het gaat om voorredes bij toneelstukken, brieven en opdrachten. Zo maakte hij in 1613 een jonge weduwe zijn liefde kenbaar, nadat hij al zijn twijfels en schaamte had beschouwd en overdacht, opmerkende dat 'van niets vragen ook niets komt, en dat lang wachten schadelijk is voor de verzoeker'. De verliefdheid dateerde van ná het overlijden van de echtgenoot. Bredero hoopte dat zij haar verdriet met een ander van zich af kon zetten . (De Volkskrant, 19 november 2011)

 

Ook het werk van zeventiende-eeuwsedichter en toneelschrijver Gerbrand Bredero zonk weg in vergetelheid. Alleen oudere generaties kennen wellicht nog 'De klucht van de koe', 'Moortje' of 'Spaanschen Brabander'. En weten dat het motto ''t Kan verkeeren' van hem afkomstig is. Deze bundel poogt Bredero's prozateksten onder de aandacht te brengen. Aldus begint zijn verdediging na de felle kritiek op 'Spaanschen Brabander' (het morele gehalte ervan zou niet deugen): "Indien de mensen zo goedaardig zouden zijn geschapen dat zij vlugger zouden zijn in het verbeteren, en trager in het berispen van iemands gebreken, dan zouden zij dichter bij de volmaaktheid van de Allerhoogste komen [...]"   (Trouw, 28 januari 2012).

`Bredero onder de Wijzen. Geleende geleerdheid in de brief (1611) aan Carel Quina'

(Link naar het artikel onder) verschenen in: TNTL 126 (2010), p. 347-372.

 

Bredero heeft zijn hartsvriend Carel Quina op een bijzondere brief vergast. De vele bijbelse en klassieke citaten moesten de gedachte ondersteunen dat zijn vriendschap niet `int hooft'  gelegen was en dus op berekening was gebaseerd maar uit het hart voortkwam en in wederzijdse weldaden zou resulteren. Over vriendschap en weldaden vond Gerbrand passende uitspraken in een schoolboekje, waarschijnlijk in een tweetalige uitgave zonder auteursvermelding.

Bredero en Magdalena Stockmans

Van alle zogenaamde geliefden van Bredero is Magdalena Stockmans de meest zekere en feitelijk aantoonbaar. We bezitten een brief van Bredero waarin hij al zijn talent inzet om toenadering tot haar te zoeken en de liefde te verklaren. Die verliefdheid werd echter in de kiem gesmoord, omdat ze een aantal maanden later met een ander trouwde. Over hun korte relatie heb ik een stukje geschreven, dat is opgenomen in de bundel die eind oktober 2009 is verschenen bij gelegenheid van het afscheid van Marita Mathijsen van de Universiteit van Amsterdam (link hieronder).

Bredero

2016

2014

2013

2012

2010

2016

2015

  • J. Jansen (2015). De Amsterdamse schouwburg (zeventiende eeuw -heden). In J. Jansen & N. Laan (Eds.), Van hof tot overheid: geschiedenis van literaire instituties in Nederland en Vlaanderen (pp. 115-140). Hilversum: Verloren.
  • J. Jansen & N. Laan (2015). Inleiding. In J Jansen & N. Laan (Eds.), Van hof tot overheid: geschiedenis van literaire instituties in Nederland en Vlaanderen (pp. 7-20). Hilversum: Verloren.

2012

2011

  • J. Jansen (2011). G.A. Bredero. Proza: uitgegeven, vertaald en toegelicht. Hilversum: Verloren.

2010

  • J. Jansen (2010). [Review of the book Akteure und Aktionen: Figuren und Handlungstypen im Drama der Frühen Neuzeit]. Zeventiende Eeuw, 26(2), 220-221.

2009

2008

  • J. Jansen (2008). Consolation. In H. Brinkman, J. Jansen & M. Mathijsen (Eds.), Helden bestaan! Opstellen voor Herman Pleij bij zijn afscheid als hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam (pp. 300-303). Amsterdam: Bert Bakker.
  • J. Jansen (2008). Imitatio: literaire navolging (imitatio auctorum) in de Europese letterkunde van de renaissance (1500-1700). Hilversum: Verloren.
  • H. Brinkman, J. Jansen & M. Mathijsen (2008). Helden bestaan! In H. Brinkman, J. Jansen & M. Mathijsen (Eds.), Helden bestaan! Opstellen voor Herman Pleij bij zijn afscheid als hoogleraar Historische Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam (pp. 9-11). Amsterdam: Bert Bakker.

2007

  • J. Jansen (2007). 'Hoe de dichtkunst kan worden geprezen. Een bijdrage van Quintilianus aan Hoofts Reden vande Waerdicheit der Poesie?'. In K. Korevaart, H. Jansen & J. de Jong (Eds.), Het woud van de retorica. Bundel voor Antoine Braet bij zijn afscheid van de Opleiding Nederlandse taal en cultuur van de Universiteit Leiden (SNL-reeks, 17) (pp. 101-112). Leiden.
  • J. Jansen (2007). 'P.C. Hooft, lecteur et imitateur de Montaigne'. In P.J. Smith & A.E. Enenkel (Eds.), Montaigne and the Low Countries (1580-1700) (Intersections. Yearbook for Early Modern Studies, 8) (pp. 173-185). Leiden / Boston: Brill.

2006

  • J. Jansen (2006). 'Het genoegen is al het goede. Hoofts visie op genot in de "Reden vande Waerdicheit der Poesie" (ca. 1614): filosofie of rhetorica?'. LIAS. Sources and Documents relating to the Early History of Ideas, 32 (2), 222-268.

2010

  • J. Jansen (2010). [Review of the book Zeehelden uit de Gouden Eeuw]. Zeventiende Eeuw, 26/1, 118.
  • J. Jansen (2010). [Review of the book Michiel de Ruyter in eigen woorden]. Zeventiende Eeuw, 26(1), 123.

2009

  • J. Jansen (2009). [Review of the book Redelijkheid en overredingskracht van argumentatie: een historisch-filosofische studie over de combinatie van het dialectische en het retorische perspectief op argumentatie]. Nieuwsbrief ISHR-BENELUX, 2009/2, 10.

2008

  • J. Jansen (2008). Gesprekscultuur in praatjespamfletten. [Review of the book Rap van tong, scherp van pen : literaire discussiecultuur in Nederlandse praatjespamfletten (circa 1600-1750)]. Nieuwsbrief ISHR-BENELUX, 2008(2).
  • J. Jansen (2008). Praatjes in de zeventiende eeuw [Review of the book Rap van tong, scherp van pen: literaire discussiecultuur in Nederlandse praatjespamfletten (circa 1600-1750)]. Tijdschrift voor Geschiedenis, 121(4), 483-484.
  • J. Jansen (2008). [Review of the book Het schoolschrift van Pieter Teding van Berkhout: vergezicht op gymnasiaal onderwijs in de zeventiende-eeuwse Nederlanden]. Neder-L: elektronisch tijdschrift voor de neerlandistiek, 0806.36.[go to publisher's site]
  • J. Jansen (2008). [Review of the book Het schoolschrift van Pieter Teding van Berkhout: vergezicht op gymnasiaal onderwijs in de zeventiende-eeuwse Nederlanden]. Nieuwsbrief ISHR-BENELUX, 2008(2).
  • J. Jansen (2008). In margine: overvloed en onbehagen. [Review of the book Een nieuw vaderland voor de muzen: geschiedenis van de Nederlandse literatuur 1560-1700]. Spiegel der Letteren, 50(3), 349-358.

2007

  • J. Jansen (2007). [Review of the book L'éloquence des pierres précieuses. Lapidaires du XVIe siècle. De Marbode de Rennes à Alard d'Amsterdam et Remy Belleau]. Nieuwsbrief ISHR-BENELUX, 2007(1).
This page has been automatically generated by the UvA-Current Research Information System. If you have any questions about the content of this page, please contact the UBAcoach or the Metis staff of your faculty / institute. To edit your publications login to Personal Metis.
  • Geen nevenwerkzaamheden

contactgegevens bewerken bewerk tabbladen