De broze balans tussen risicogedrag en denkfuncties

Onderzoek naar de oorzaak van vertraging en uitval op het vmbo

30 mei 2011

Vmbo’ers doen het slechter dan leeftijdgenoten op andere schooltypen. UvA-ontwikkelingspsycholoog Mariette Huizinga vermoedt dat individuele verschillen op het gebied van cognitieve ontwikkeling een belangrijke oorzaak kunnen zijn. Het Nationaal Initiatief Hersenen en Cognitie kende haar een subsidie van 250.000 euro toe om hiernaar onderzoek te doen.

Veel vertraging in de schoolcarrière, jongeren die zonder een diploma te halen uitvallen: vmbo’ers doen het slechter dan leeftijdgenoten op andere schooltypen. UvA-ontwikkelingspsycholoog Mariette Huizinga, die sinds mei dit jaar in dienst is bij de afdeling Communicatiewetenschap, vermoedt dat individuele verschillen op het gebied van cognitieve ontwikkeling een belangrijke oorzaak kunnen zijn. Het Nationaal Initiatief Hersenen en Cognitie kende haar een subsidie van 250.000 euro toe om hiernaar onderzoek te doen.

Vanwege de enorme diversiteit in de vmbo-populatie, is het moeilijk om te spreken van “de vmbo’er”. Huizinga: ‘De leerlingen verschillen enorm van elkaar. In mijn studie wil ik graag de uitval en de vertraging relateren aan die individuele verschillen.’

De nieuwste theorieën op het gebied van de puberteit wijzen allemaal op de broze balans tussen sociaal emotionele impulsen en cognitieve controle. ‘Adolescenten krijgen te maken met allerlei impulsen, zoals groepsdruk en offline en online risicogedrag – denk aan (cyber)pesten, zich letterlijk en figuurlijk blootgeven via social media et cetera. Normaal gesproken zorgt de cognitieve controle ervoor dat dit risicogedrag wordt afgeremd en dat mensen “doelgericht gedrag” vertonen – afspraken nakomen, profwerken leren, planningen nakomen et cetera.’ De hypothese van Huizinga is dat het risicogedrag bij de uitvallers en trage leerlingen niet voldoende wordt bijgestuurd doordat hun cognitieve systeem en de executieve functies minder goed zijn ontwikkeld. ‘Adolescenten zijn sowieso gevoeliger voor risicogedrag, maar ik vermoed dat sommige jongeren in deze specifieke groep er nog meer last van hebben.’

Ballon opblazen

Om de individuele verschillen te onderzoeken, wil Huizinga 100 kinderen onderzoeken, te beginnen als ze in groep 8 zitten en dan vervolgens nog 1 à 2 keer. In het eerste deel van de studie doet ze onder meer onderzoek naar de schoolprestaties van de jongeren en legt ze hen een aantal cognitieve en sociaal-emotionele taken voor. Daarmee wil ze onder meer vaststellen in hoeverre de jongeren naar risicovol gedrag neigen. ‘Je kunt daarbij denken aan het opblazen van een ballon. Hoe groter ze hem opblazen, hoe meer punten ze krijgen – maar als de ballon kapot gaat, zijn ze al hun punten kwijt. De grootste risktakers zullen de ballon vaker stukblazen, terwijl de jongeren met een beter ontwikkelde cognitieve controle eerder op safe zullen spelen, waardoor ze uiteindelijk meer punten winnen.’

Observaties van gedrag

Ook werkt Huizinga met observaties van het gedrag aan de hand van vragenlijsten die worden ingevuld door ouders, docenten en de jongeren zelf. Zij beantwoorden vragen over bijvoorbeeld hun omgang met social media, seksueel gedrag, pesten et cetera.
‘Nu ik ben overgestapt van Psychologie en Communicatiewetenschap besteed ik ook veel aandacht aan het online risicogedrag. Jongeren zijn enorm actief op internet en social media, en vertonen ook - of misschien wel juist - daar veel risicogedrag. Mijn nieuwe collega’s bij Communicatiewetenschap hebben daar veel kennis over, dus ik verheug me al op onze samenwerking.’

fMRI-onderzoek

In het tweede deel van de studie gaat Huizinga dieper in op de onderliggende neurologische oorzaken van de individuele verschillen tussen leerlingen. Door middel van de fMRI-scanner onderzoekt ze de cognitieve en sociaal-emotionele balans bij heel goed presterende leerlingen en jongeren die zeer slechte schoolprestaties laten zien. ‘Op basis van mijn hypothese verwacht ik dan verschillen te kunnen constateren in de mate waarin het brein is ontwikkeld.’

Beter beeld van de diversiteit

De uitkomsten van het onderzoek, dat wordt uitgevoerd door een promovendus, moeten in eerste instantie een beter beeld geven van de diversiteit in de vmbo-populatie. Op basis daarvan kunnen scholen beleid maken, denkt de psycholoog. ‘Als inderdaad blijkt dat de oorsprong van vertraging en uitval wordt veroorzaakt door de verstoorde balans tussen risicogedrag en controle, dan kunnen scholen daar rekening mee houden.’

Auteurs: Esther van Bochove, FMG Communicatie

Gepubliceerd door  Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen