De vergeten factor bij angststoornissen: de actietendens

17 december 2009

Psycholoog dr. Tom Beckers kreeg een Vidi van € 800.000 voor zijn onderzoek naar individuele verschillen in het ontstaan van angststoornissen.

Over de mechanismen die individuele kwetsbaarheid linken aan het ontstaan van angststoornissen is erg weinig bekend. Psycholoog dr. Tom Beckers kreeg een Vidi van € 800.000 voor zijn onderzoek naar de gedragswetenschappelijke component van deze stoornissen.

Angst is een nuttige emotie, die mensen beschermt tegen gevaarlijke situaties. Bij maar liefst 30 procent van de mensen echter, verwordt deze nuttige angst op een bepaald moment in het leven tot een angststoornis, ofwel disfunctionele angst. Op de vraag hoe angststoornissen precies ontstaan, is nog geen helder antwoord gevonden. Volgens Tom Beckers zou dat ten dele te maken kunnen hebben met beperkingen van angstconditioneringsonderzoek in het laboratorium. ‘Op dit moment kijken we daarbij vooral naar veeleer gecontroleerde lichamelijke reacties van proefpersonen - we meten bijvoorbeeld huidgeleiding - en subjectieve factoren - de manier waarop mensen hun eigen angst rapporteren. Het probleem daarbij is, dat van nature angstige mensen de neiging hebben om hun emotionele expressie te onderdrukken. Bovendien bestuderen we wellicht niet altijd de meeste relevante situaties voor angstconditionering.'

Impulsieve uitingen van angst

Beckers wil in zijn onderzoek daarom focussen op meer impulsieve uitingen van angst. Daarbij valt te denken aan een toename van de oogknipperreflex in beangstigende situaties. ‘Dergelijke reacties zijn minder beïnvloedbaar door de proefpersonen en geven daardoor een veel betrouwbaarder beeld.'
Ook wil Beckers het niet-observeerbare impulsieve vermijdingsgedrag meten. Daarbij maakt hij gebruik van een zogeheten reactietijdtaak. Proefpersonen krijgen foto's te zien, waarbij één van de foto's voorheen de toediening van een schok voorspelde. De opdracht is om een mannetje zo snel mogelijk naar de foto's toe of van de foto's af te laten bewegen. ‘Mijn aanname is, dat het bewegen naar de foto die de schok "veroorzaakte", conflicteert met de impulsieve tendens om juist weg te rennen. Daardoor zullen met name de proefpersonen die kwetsbaar zijn voor het ontwikkelen van angststoornissen in dit geval trager reageren, zo verwacht ik. Zij zijn immers gevoeliger voor het vertonen van vermijdingsgedrag.'

Disfunctioneel leerproces

Volgens de psycholoog zijn de standaardvormen van angstconditionering mogelijk niet de meest geschikte voor onderzoek naar het ontstaan van angststoornissen. ‘Als je weet dat je bij het zien van een bepaalde foto een schok krijgt, ontwikkel je een angst daarvoor. Dat is heel gezond en normaal. Een angststoornis is echter een disfunctioneel leerproces; angst is niet meer gezond of beschermend. Ik wil dan ook gebruikmaken van complexere, meer ambigue vormen van angstconditionering, die ons hopelijk meer kunnen vertellen over de ontwikkeling van disfunctionele angst. In de realiteit zijn de omstandigheden waarin we angst aanleren immers vaak veel complexer.'

Interne sensaties

Beckers geeft als voorbeeld een situatie in een druk winkelcentrum. Iemand loopt daar nogal gehaast doorheen, ervaart diverse interne sensaties (hartkloppingen, hijgen) en diverse externe sensaties (drukte). Plotseling krijgt hij een paniekaanval. Vanaf dat moment is deze persoon overmatig angstig voor interne sensaties aangezien hij deze associeert met paniekaanvallen, dus hij meldt zich aan voor een behandeling.

‘Tijdens de therapie worden interne sensaties opgeroepen, en leert deze persoon dat deze niet tot een paniekaanval hoeven leiden. Bij sommige mensen stoppen de problemen daar, maar anderen gaan misschien hun angst anders attribueren, en hun paniekaanval koppelen aan de externe factoren, ofwel de drukte. Daardoor ontwikkelen ze een agorafobie. Met andere woorden: er vindt een symptoomverschuiving plaats. En hoewel mijn onderzoek in principe een antwoord zoekt op de fundamentele vraag (welk mechanisme ligt ten grondslag aan individuele verschillen in het ontstaan van angststoornissen), kan deze kennis zeker van belang zijn voor de behandeling van mensen met angststoornissen.'

Het onderzoek van Beckers heeft een looptijd van vijf jaar, en start in het eerste kwartaal van 2010. Hij voert het onderzoek uit in samenwerking met twee aio's die in 2010 respectievelijk 2011 met hun promotietraject beginnen.

Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG

Gepubliceerd door  Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen