Psychologie-onderzoek aan de UvA is beste van Nederland
Het psychologie-onderzoek aan de Universiteit van Amsterdam is het beste van Nederland. Dat blijkt uit het rapport van de visitatiecommissie over de periode 2005 – 2010.
In het rapport (Assessment of Research Quality, Psychology 2005-2010, QANU July 2012), dat de onderzoekskwaliteit op het gebied van de psychologie onderzocht van acht Nederlandse universiteiten, behaalt de UvA de hoogste gemiddelde score van 4,65 op een schaal van 1 (slecht) tot 5 (excellent). Maar liefst driekwart van de aan de UvA toegekende scores bestaan uit de cijfers 4,5 en 5. Het rapport richtte zich op vier deelindicatoren: kwaliteit, productiviteit, (maatschappelijke) relevantie en vitaliteit. Prof. dr. Gerard Kerkhof, tot voor kort onderzoeksdirecteur van het Onderzoeksinstituut Psychologie, is trots op “zijn” onderzoekers. ‘We streven niet alleen naar excellentie, maar laten ook zien dat we heel erg goed zijn.’
Monitoring van aio’s
De visitatiecommissie plaatst slechts een paar kritische kanttekeningen. Zo
constateert zij dat de aio’s lang over het promotietraject doen. Kerkhof ziet de
aio-problematiek als een van de belangrijkste uitdagingen van Psychologie aan de
UvA. ‘Slechts eenderde van onze promovendi heeft het proefschrift binnen vijf
jaar afgerond, de rest doet er langer over. Dat moet echt sneller. Onze Graduate
School is daarom begonnen met de monitoring van aio’s’.
Een belangrijk onderdeel daarvan is de eis om binnen acht maanden na het begin
van de aanstelling een manuscript te schrijven, meestal in de vorm van
review-artikel. Toch ziet Kerkhof ook de keerzijde van de nadruk op snelheid.
‘Als het promotietraject na 4 jaar moet stoppen, simpelweg omdat dat nu eenmaal
de regels zijn, dan is dat in een aantal gevallen betreurenswaardig: met een
verlenging van 3 tot 6 maanden kan een aio soms 1 of 2 extra publicaties in
prima journals realiseren. Die publicaties zullen voor hem of haar later weer
de kans vergroten om een mooie onderzoekssubsidie te verwerven. Het zou jammer
zijn als we alleen maar naar de duur van een traject kijken, en minder naar de
kwaliteit.’
Kwantiteit versus kwaliteit
De commissie constateerde bij een onderzoeksgroep een relatief lage
productiviteit. Kerkhof geeft toe dat het aantal gepubliceerde artikelen vanuit
deze onderzoeksgroep wat achterbleef, maar voegt daaraan toe dat de
productiviteit inmiddels aanmerkelijk is gestegen. ‘De groep heeft op dat
gebied een indrukwekkende inhaalslag gemaakt. In 2010 was er zelfs sprake van
een verdubbeling van het aantal artikelen. In de score telt echter alleen het
gemiddelde.’
De lagere productiviteit had bovendien een logische oorzaak, legt Kerkhof uit:
‘Een en ander had met name te maken met het grote aantal aio’s dat in de laatste
2 jaar van de visitatieperiode was aangesteld. Deze tellen allemaal mee als
onderzoekers, maar publiceren uiteraard pas een paar jaar nadat ze zijn
aangesteld. De begeleiding van aio’s kost eveneens tijd, en dus publiceren ook
de betrokken senior onderzoekers minder dan gewoonlijk.’
Daar komt bij dat er gedurende de visitatie een discussie ontstond met betrekking tot kwantiteit versus kwaliteit van publicaties. ‘Onze wetenschappers publiceren veel in tijdschriften met een hoge impactfactor, zoals gebleken is uit de citatie-analyse die is uitgevoerd door het CWTS. De UvA behaalt daarin een impactscore van 39 procent boven het wereldgemiddelde en heeft ook daarin de toppositie in Nederland. Het spreekt voor zichzelf dat je gemakkelijker veel publiceert in lagere tijdschriften dan in hoge. Wat moet zwaarder wegen: aantallen publicaties of de kwaliteit en impact van de journals? Wij kiezen duidelijk voor het laatste.’
Academische vrijheid
Hoewel Kerkhof hecht aan hoge productiviteit en relevante onderzoeksresultaten, ziet hij ook de nadelen van de hang naar harde cijfers. ‘Om tot nieuwe inzichten te komen, is het nodig om soms op de rand te balanceren. Het risico bestaat dan dat er “niets” uitkomt. De commissie wil graag zo veel mogelijk zaken kwantificeren. De zakelijke insteek voert de boventoon, en niet de academische vrijheid. Ik hoop dat er ook in de toekomst ruimte blijft voor risico-onderzoek.’
Auteur: Esther van Bochove, FMG Communicatie
