Training van cognitieve functies: wat gebeurt er nu precies in de hersenen?

Vidi voor onderzoek naar cognitieve plasticiteit

8 maart 2011

Wat gebeurt er in de hersenen bij de training van cognitieve functies? Psycholoog dr. Heleen Slagter ontving een Vidi van € 800.000 voor een onderzoek hiernaar.

In tegenstelling tot wat men vroeger dacht, zijn de volwassen hersenen geen statisch orgaan, maar zijn ze voortdurend in verandering. Wat er precies in de hersenen gebeurt bij de training van cognitieve functies, is echter nog onbekend. Psycholoog dr. Heleen Slagter ontving een Vidi van € 800.000 om hiernaar onderzoek te doen.

Een van de mooiste bewijzen van plasticiteit van de volwassen hersenen wordt geleverd door een onderzoek naar Londense taxichauffeurs. Voordat zij aan de slag mogen als chauffeur, krijgen ze eerst een zeer intensieve training aangeboden, waarbij ze moeten leren vanaf elke locatie in de stad naar een andere locatie te navigeren. De onderzoekers vergeleken de hersenen van deze taxichauffeurs met die van buschauffeurs – die vaker dezelfde routes rijden – en zag dat alleen de intensieve training van de taxichauffeurs ervoor zorgde dat hun hersenen de benodigde hardware aanpaste, waardoor het vermogen tot oriëntatie in kwaliteit toenam.

Te specifiek

‘Er is nogal wat discussie geweest over de vraag of je de cognitieve functies van mensen nu wel of niet kunt trainen, vertelt Slagter. Veel trainingen die eigenlijk bedoeld zijn om cognitief functioneren te verbeteren, zijn te specifiek op één taak gericht, en bevatten een beperkte set van stimuli. Dat zorgt dat ervoor dat mensen in die specifieke taak wel beter worden, maar dat hun overall cognitief functioneren niet verbetert. Inmiddels is het evident dat er wel degelijk ruimte is voor verbetering, maar dan is een goede, complexe, niet-specifieke training noodzakelijk. Hóe deze training leidt tot verbeterd cognitief functioneren is echter nog onbekend. Een mogelijkheid is dat de communicatie tussen verschillende hersengebieden – de essentie van cognitief functioneren – in kwaliteit toeneemt door training.'

Neuro-imaging

Slagter wil niet alleen onderzoek doen naar het gedrag, maar ook naar het hersenfunctioneren. Vandaar dat ze ook gebruikmaakt van neuro-imaging, iets wat haar onderzoek uniek maakt. Andere onderzoekers zetten ook fMRI en EEG in bij onderzoek naar cognitieve trainingen, maar dan veelal alleen voorafgaand aan en na de training. Slagter gaat nu juist ook tijdens de training kijken naar de hersenactiviteit. Op deze manier is het mogelijk om inzicht te krijgen in het daadwerkelijke proces van cognitief leren en het tijdsverloop van neurale plasticiteit. Is er al een verbetering op gedragsniveau merkbaar terwijl de hersenen nog geen zichtbare verandering vertonen, of zijn de hersenen al nieuwe verbindingen gaan maken, terwijl dat nog niet zichtbaar is in het gedrag? Daarnaast gaat Slagter ook kijken in hoeverre trainingseffecten naar nieuwe taken generaliseren om de vraag te beantwoorden in hoeverre cognitieve processen zelf kunnen worden getraind .Hierbij wordt ook onderzocht of het vermogen tot verbetering afhangt van initiële cognitieve vermogens of hersenfunctioneren.

Stoornissen en veroudering

Hoewel haar onderzoek in eerste instantie zeer fundamenteel gericht is, denkt ze zeker dat het ook een praktische impact kan hebben. ‘Bepaalde psychiatrische stoornissen, maar bijvoorbeeld ook processen als veroudering, hangen vaak samen met minder goed functionerende verbindingen tussen hersengebieden. Als we weten hoe we deze verbindingen kunnen versterken en verbeteren, kunnen we die kennis wellicht inzetten bij ouderen en mensen met bepaalde stoornissen.’

Auteur: Esther van Bochove, FMG Communicatie

Gepubliceerd door  Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen