UvA en Yale onderzoeken stoppen met roken bij pubers

17 februari 2011

De Universiteit van Amsterdam en Yale University (Connecticut) gaan samen de effectiviteit van een stoppen-met-roken-programma bij pubers onderzoeken. De universiteiten ontvangen hiervoor beide een subsidie van 100.000 euro.

De Universiteit van Amsterdam en Yale University (Connecticut) gaan samen de effectiviteit van een stoppen-met-roken-programma bij pubers onderzoeken. De universiteiten ontvangen hiervoor beide een subsidie van 100.000 euro. Het Nederlandse onderzoek wordt gefinancierd door ZonMw en duurt anderhalf jaar; het Amerikaanse deel van de studie heeft een looptijd van een jaar.

Hoe eerder pubers beginnen met roken, hoe groter de kans dat zij op latere leeftijd rookverslaafd raken, zo is gebleken uit eerder onderzoek. Het loont daarom zeker te moeite om hen zo snel mogelijk van het roken af te helpen. Onderzoekers van de Yale University ontwikkelden daarom een innovatief programma dat speciaal is toegespitst op adolescenten. Deze vorm van cognitieve gedragstherapie, zo bleek uit onderzoek, werkt minder goed bij jongeren die impulsief gedrag vertonen. ‘Dat sluit goed aan bij onze bevindingen met betrekking tot verslaving’, vertelt prof. dr. Reinout Wiers, die het Nederlandse deel van het gezamenlijke onderzoeksproject begeleidt. Wiers deed uitgebreid onderzoek naar het ontstaan en tegengaan van alcoholverslaving. Bij mensen die impulsief gedrag vertonen, zo bleek uit zijn onderzoek, spelen automatische processen een grote rol. En juist die processen zijn een belangrijke component van verslaving.

Aangetrokken door plaatjes van sigaretten

Het onderzoek bestaat uit twee studies. In de eerste studie vergelijken de onderzoekers de automatische processen van rokers en niet-rokers. De onderzoekers gaan er vanuit dat de rokers sneller automatisch worden aangetrokken door rookstimuli - bijvoorbeeld plaatjes van sigaretten - dan niet-rokers; daarnaast verwachten ze dat deze automatische processen bij impulsieve rokers nog prominenter aanwezig zijn. Vervolgens wordt de rokers gevraagd om vier à vijf weken later deel te nemen aan een zelfde onderzoek, om er zeker van te zijn dat ze nog steeds even sterk reageren op de stimuli als tijdens de eerste test.
Aan het tweede deel van de studie nemen de proefpersonen (40 Nederlandse en 30 Amerikaanse jongeren) deel die willen stoppen met roken. De ene helft krijgt de cognitieve gedragstherapie aangeboden in combinatie met een hertraining van de automatische processen; de andere helft krijgt cognitieve gedragstherapie en een placebotraining – de hertraining blijft bij deze groep achterwege.
‘De verwachting is dat impulsieve rokers baat zullen hebben wij de echte hertraining van automatische processen, waardoor zij eerder in staat zullen zijn om te stoppen met roken dan wanneer zij alleen de cognitieve gedragstherapie ontvangen.’

Auteur: Esther van Bochove, afdeling Communicatie FMG

Gepubliceerd door  Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen