drs. H.C.M. (Harrie) Vorst


  • Faculty of Social and Behavioural Sciences
  • Weesperplein  4
    1018 XA  Amsterdam
  • H.C.M.Vorst@uva.nl
    T:  0205256875

Curriculum

M.Sc. (Psychology) 1972, University of Amsterdam

Harrie Vorst studied educational research (Social Sciences) and specialized in methods of test construction and questionnaire design. He studied effects of response biases on scores of tests and questionnaires. He has developed tests and questionnaires on several subjects: school attitudes, study skills, teacher evaluation, cognitive ability, vocational and study interests, personality, emotional capacity, response bias, leadership, achievement motivation, stress and burnout, sexual ability.
He cooperates in research on prediction of study achievement, imputation ofmissing data, internet applications oftesting, adaptive (individualized) testing, and measurement invariance of translated questionnaires.
He gives lectures in data gathering methods, methods of testconstruction and methods of questionnaire design, meta-analysis.

Publications

  • Vorst, H.C.M. (1990). Handleiding en verantwoording bij de SchoolVragenLijst (SVL) . Nijmegen: Berkhout / Lisse: Swets Testing Service.
  • Oosterveld, P. & Vorst, H.C.M. (1998). Methoden van vragenlijstconstructie [Methods of questionnaire construction]. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie en haar Grensgebieden, 51, 11-27.
  • Vorst, H.C.M. & Bermond, B. (2000). Validity and reliability of the Bermond-Vorst Alexithymia Questionnaire. Personality and Individual Differences, 30, 413-434.
  • Janssen, E., Vorst, H., Finn, P., & Bancroft, J. (2002). The Sexual Inhibition (SIS) and Sexual Excitation (SES) Scales: I. Measuring sexual inhibition and excitation proneness in men, Scales: II. Predicting psychophysiological response patterns. The Journal of Sex Research, 39 (2), 114-132.
  • Smits, N., Mellenbergh, G.J., & Vorst, H.C.M. (2002). Alternative missing data techniques to grade point average: Imputing unavailable grades. Journal of Educational Measurement, 39 (3), 187-206.
  • Wicherts, J.M., & Vorst, H.C.M. (2004). Modelpassing van de Verkorte Profile of Mood States en meetinvariantie over mannen en vrouwen. Nederlands Tijdschrift voor de Psychologie, 59 (1) , 12-21.
  • Hol, A. M., Vorst, H. C. M., & Mellenbergh, G. J. (2005). A randomized experiment to compare conventional, computerized, and computerized adaptive administration of ordinal polytomous attitude items. Applied Psychological Measurement, 29 (3), 159-183.
  • Vorst, H. C. M. (2006). Dyslexie OpsporingsTest 7/8 (DOT 7/8) . Amsterdam: Uitgeverij Libbe Mulder.
  • Vorst , H. C. M. (2006). School Attitude Questionnaire - Internet (SAQI) . Amsterdam: Uitgeverij Libbe Mulder. Retrieved from http://www.saqi.nl .
  • Bermond, B., Clayton, K., Liberova, A., Luminet, O., Maruszewski, T., Ricci Bitti, P. E., Rimé, B. Vorst, H. C. M., Wagner, H., & Wicherts, J. M. (2007). A cognitive and emotional dimension of alexithymia in six languagesand seven populations. Cognitionand Emotion, 21 (5), 1125-1136.
  • Hol, A. M., Vorst , H. C. M., & Mellenbergh, G. J. (2007). Computerized adaptive testing for polytomous motivation items: Administration mode effects and a comparison with short forms. Applied Psychological Measurement, 31 (5), 412-429.
  • Hol, A. M., Vorst , H. C. M., & Mellenbergh, G. J. (2008). Computerized adaptive testing of personality traits. Zeitschrift für Psychologie, 216, 12-21.


Specialization
Test construction, Questionnaireconstruction, Responsebias.

Calamiteitenpsychologie

Calamiteiten, rampen of catastrofen zijn onverwachte gebeurtenissen die een dramatisch effect hebben, direct of indirect, op het leven van een mens of een groep mensen of een volk. Het gedrag van mensen voor, tijdens en na catastrofale gebeurtenissen is heel bijzonder en de gevolgen voor slachtoffers zijn zeer heftig.
Ook 'toeschouwers' van rampen vertonen uitzonderlijk gedrag.Er zijnopdiverse deelgebieden, zoals rampbestrijding, veiligheid en traumabehandeling bijdragen van de psychologie te vinden. Systematisch onderzoek naar soorten calamiteiten enerzijds en soorten gedragingen van mensen anderzijds is schaars, ondanks het feit dat unieke menselijke gedragingen in het geding zijn.
Het lijkt waarschijnlijk dat ook psychologen in de toekomst een grotere rol zullen spelen als gedragsdeskundigen bij calamiteiten. Catastrofen vallen naar oorzaak of gevolg in diverse categorieën onder te brengen: natuurrampen, oorlogen, terroristisch aanvallen, verkeersongelukken, ongelukken in werkomgeving en in huiselijke omgeving.
Het menselijk gedrag voor, tijdens en na calamiteiten is eveneens in diverse categorieën onder te brengen: voorbereidingen op of voorkoming van rampen, waarnemingen van getuigen en slachtoffers van gebeurtenissen, ervaringen van slachtoffers, communicatie tijdens en na een ramp, fysiek en psychisch herstel, hulpverlening, evaluaties achteraf.

Dyslexie Voortgezet Onderwijs 5

Een signaleringstest voor dyslexie.

Verkleij, C., van den Hoek, J., Verhoeff, R., & de Vos, W. (2008).

In dit onderzoek is getoetst of de Dyslexie Voortgezet Onderwijs-5 (DVO-5) dyslectische brugklassers kan onderscheiden van niet dyslectische brugklassers. De DVO-5 bestaat uit zes subtests en een afsluitende vragenlijst.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Dyslexie Voortgezet Onderwijs 4

Het klassikaal opsporen van dyslexie bij brugklassersdoor middel van de DVO-4

Beke, T., vann den Bergh, M., van Houwelingen, B., Martens, W., & Spaan, S. (2008).

Dyslexie is een onzichtbare handicap, die in het onderwijs helaas te vaak niet wordt onderkend/herkent. Dat kan verstrekkende gevolgen hebben voor dyslectische kinderen zelf, voor hun ouders/verzorgers en voor de docenten. Het is belangrijk dat dit leesprobleem zo vroeg mogelijk wordt vastgesteld. In dit onderzoek werd de effectiviteit van de Dyslexietest Voortgezet Onderwijs-4 (DVO-4) gemeten. De DVO-4 bestond uit zeven onderdelen: 'Nederlands dictee', 'Engels dictee', 'Ontbrekende lettertest', 'Pseudowoorden', 'Onjuiste spellingstest', 'Rijmende-pseudowoorden' en 'Ruimtelijke inzichttest'. De classificatie wel of niet dyslectische werd gebaseerd op een leerlingen criterumvragenlijst. Na de testafname werd gekeken of de score overeenkwam met de eerdere classificatie aan de hand van het criterium. De DVO-4 is bij 327 brugklasleerlingen afgenomen. Hiervan bleek 9,2 % (N=30) dyslectische te zijn. Uit de resultaten kwam naar voren dat de DVO-4 een valide instrument is om dyslexie te meten bij brugklassers. Met beghulp van twee van de zeven subtests (Engels dictee en Ontbrekende lettertest) konden 60% van de dislectische leerlingen correct aangewezen worden. In 77% van de gevallen werden leerlingen aan de twee juiste categorieën toegewezen. Met vijf items uit vier subtests konden in 86% van de gevallen leerlingen correct geclassificeerd worden.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Dyslexie Voortgezet Onderwijs 3

Het klassikaal opsporen van dyslexie bij brugklassers

van der Heide, T., Hoogenboom,C., Jonkers, B., de Koning, N., & Peters, B. (2007).

In dit onderzoek wordt getoetst of de Dyslexie Voortgezet Onderwijs-3 (DVO-3) succesvol klassikaal dyslexie bij brugklasleerlingen meet. De DVO-3 bestaat uit zeven onderdelen. Het Nederlands dictee, de letterinvultaak en de pseudowoordentaak   zijn van de DVO-2 overgenomen. De test is uitgebreid met een Engels dictee, een patroonherkenningstest, een geheugentaak en een onjuiste spellingtaak. De DVO-3 is afgenomen bij 243 brugklasleerlingen, welke als dyslectisch of niet-dyslectisch geclassificeerd werden op basis van een criterium, gebaseerd op een leerlingen- en een docentenvragenlijst. Na de testafname werd per subtest en inzijn geheel gekeken of de score overeenkwam met de eerdere classificatie aan de hand van het criterium. Uit de resultaten kwam naar voren dat de DVO-3 een valide instrument is om dyslexie te meten bij brugklassers.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Dyslexiein de brugklas

Disselhorst, L., Geijs, D., Jonker, J.W., & Vader, L. (2007).

In dit onderzoek is de Dyslexie Voortgezet Onderwijs 2 getest als valide meetinstrument voor dyslexie in de brugklas. De DVO-2 is een aanpassing en uitbreiding van de DVO, welke bestaat uit een uitgebreid dictee met woordbeeld- en grammaticamoeilijkheden. De DVO-2 bestaat uit vijf subtests; Een dictee, een test waarbij ontbrekende letters ingevuld moeten worden, een test waarbij woorden in een letterbrij herkend moeten worden, een pseudowoorden dictee en een test waarbij binnen een minuut zinnen overgeschreven moeten worden. De DVO-2 werd bij 334 brugklasleerlingen afgenomen. Bovendien vulden deze leerlingen en hun docent een vragenlijstin met vragen over dyslexie. Aande hand van deze vragenlijsten werd onderscheid gemaakt tussen dyslectici en niet-dyslectici. Vervolgens werd gekeken of de subtestscores een goede maat waren om iemand dyslectisch of niet-dyslectisch te verklaren. De DVO-2bleek een betrouwbare en valide meetinstrument om brugklasleerlingen als dyslectisch of niet-dyslectisch aan te merken. Nog betere resultaten werden gevonden als er werd gecorrigeerd voor dyslectische proefpersonen die behandeld waren voor dyslexie of extra taallessen hadden gevolgd en daarbij een goede dicteescore haalden.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Dyslexie: Een woordbeeldprobleem

Geesink, M., Kerstens, M., Brenninkmeijer,B., Harmsen, E., Keller,M., & Mooij, N.(2006).

Indeze studie werd onderzocht of deDyslexie Voortgezet Onderwijs (DVO) test een valide instrument is om dyslectische brugklasleerlingen van niet-dyslectische brugklasleerlingen te onderscheiden. Deze test werd door de onderzoekers ontworpen aan de hand van Taalachterstandtest (Velthuijsen, 1980). De DVO test werd bij 247 brugklasleerlingen afgenomen gedurende de lestijd. Binnen een half uur schreven de leerlingen 40 opgenoemde woorden op die ontbraken in 40 eenvoudige zinnen. Hierna vulden zowel de leerlingen als de docent van de klas een vragenlijst in. Op basis van de gegevens van de vragenlijsten werd een onderscheid gemaakt tussen dyslectische en niet dyslectische leerlingen. Vervolgens werd aande hand van de dicteescores vande leerlingen gekeken of deze in de juiste categorie konden worden geplaatst, te weten de groep dyslectici of niet-dyslectici. Gebleken is dat de DVO test een betrouwbaar en valide meetinstrument is om brugklasleerlingen teonderscheiden als dyslectisch of niet-dyslectisch. Uit deexploratieve analyse bleek dat jongens vaker  (18%) dyslectisch werden bevonden dan meisjes (12%). Dit verschil bleek niet statistisch significant te zijn.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Validiteit DOT 7/8

de Wolf, A., de Wolf, A., Berends, J., Beerepoot, J., & Tamboer, P. (2006).

Dyslexie is een zeer moeilijkte diagnosticeren cognitieve ontwikkelingsstoornis. De Dyslexie OpsporingsTest groep 7 en 8(DOT 7/8) is bedoeldals een signaleringstest voor leerlingen met dyslexie. Deze klassikale, schriftelijke test bestaat uit tien onderdelen en is bedoeld voor leerlingen uit groep zeven en acht van het basisonderwijs.
In dit onderzoek werd met een objectief criterium de validiteit onderzocht van de DOT 7/8. Het gebruikte criterium bestond uit een testbatterij van acht (sub)tests die was samengesteld uit respectievelijk (1) criteriumvariabelen, (2) cognitieve variabelen, (3) differentiaaldiagnostische variabelen van dyslexie en (4)anamnestische gegevens over de leerlingen. Op basis van de uitkomsten op deze (sub)tests is een klinisch oordeel tot stand gekomen door een dyslexie-expert. Het oordeel van de expertleidde tot drie criteria: demate van dyslexie in vijf categorieën, de mate van dyslexie in twee categorieën en een uiteindelijke dyslexieverklaring(ja/nee). Door middel van risk-assesment werd een steekproef van 64 leerlingen samengesteld uit een grotere, representatieve steekproef van 985 leerlingen waarbijde DOT 7/8 ongeveer een jaar eerder was afgenomen. De voorspellingen van de DOT 7/8 zijn vergeleken met de drie criteria die zijn vastgesteld aan de hand van het klinisch oordeel van de dyslexie-expert.
De hypothese dat de DOT 7/8 onderscheid kan maken tussen dyslectische en niet-dyslectische leerlingen werd ondersteund. De sterkste indices voor de DOT 7/8 werden verkregen met het criterium dyslexieverklaring: sensitiviteit (72%), specificiteit (85%), positieve predictieve waarde (75%), negatieve predictieve waarde (83%), voorspellingsfout (20%) en predicatieve accuratesse (96%).
De conclusie is gerechtvaardigd dat de DOT 7/8 enerzijds bruikbaar is als diagnostisch meetinstrument in combinatie met andere instrumenten en anderzijds als eerste indicator van dyslexie die ouders en docenten kan aanzetten tot vervolgonderzoek.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

DYSLEXIE ONDERSCHEIDINGSTEST 5/6

Van den Brink, J., Jadresko, A., Koning, M., Tol,I., & Zappeij, D. (2005).

Dyslexie, moeizame woordherkenning en slechte spelling en woorddecodering, is het gevolg van tekortkomingen in de fonologische verwerking van taal. Dit onderzoek ging na of de binnen hetonderzoek ontwikkelde klassikale Dyslexie Onderscheidingstest (DOT) goed onderscheid maakte tussen dyslectische en niet-dyslectische leerlingen in groep 5 en 6 van het basisonderwijs. Hiertoe werden 556 leerlingen uitgenodigd.Het onderzoeksdesign was cross-sectioneel en correlationeel, met taalprestatie als voorspeller en dyslexie-categorie als criterium. Taalprestatie werd geoperationaliseerd middels de DOT en dyslexie-categorie middels een vragenlijst voor de leerkracht. De acht subtesten van de DOT werden door de leerkracht zelf afgenomen; dit nam ongeveer een uur in beslag. Onafhankelijk daarvan vulden de leerkrachten voor iedere leerling een vragenlijst in. Op basis van analyses,uitgevoerd over de resultaten van 522 leerlingen, bleek de DOT zeer goed onderscheid te maken tussen dyslectische en niet-dyslectische leerlingen. De samenhang tussen de voorspeller en het criterium was matig tot hoog (0.2 £ r £ 0.6). Met een beperkt aantal items uit uiteenlopende subtesten kon 96% van de niet-dyslectische leerlingen worden opgespoord en 46% van de dyslectische leerlingen. Na vaststelling van de niet-dyslectische leerlingen resteerden 14% mogelijk dyslectische leerlingen die voor vervolgonderzoek in aanmerking komen. De matige voorspelbaarheid van dyslectischeleerlingen is waarschijnlijk toe te schrijven aan onvoldoende kwaliteitvan het criterium. Aanbevolen wordt dan ook de validatie van de DOT voort te zetten met een ander, meer valide criterium.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

ONDERSCHEIDINGSTEST DYSLEXIE 2

Sarina Bood, Anouk de Klerk, Floor Stitselaar, Blanche Voorneman en Ruud Wetzels (2005). 

Het detecteren van dyslectici gebeurt veelal nog individueel, dit is tijdrovend en kost veelgeld. Dit onderzoek is een vervolgonderzoek op eerder verricht onderzoek naar de ontwikkeling van een klassikale dyslexie test. De toen ontwikkelde test kreeg de naam OnderscheidingsTest Dyslexie. De ontwikkelde test voor het huidige onderzoek werd de OTD2 genoemd, drie valide gebleken onderdelen uit de OTD zijn hergebruikt. De overige 6 testonderdelen zijn op basis van verscheidene literatuurbronnen gevormd. In dit onderzoek werd onderzocht of de OTD2 een klassikaal valide meetinstrument was om dyslectici te detecteren. Aan dit onderzoek namen622 leerlingen uit groep 8 deel. Deze werdeningedeeld in drie groepen aan de hand van een criterium, samengesteld op basis van het oordeel van de leerkracht en de leerling. De predictoren van dyslexie (OTD2) werden tijdenseen één uur durende taalles vastgesteld.Met behulp van een discriminantanalyse met de negen subtests en een totaalscore van de OTD2 als predictoren werden de 'dyslectici' in 49% van de gevallenjuist voorspeld, in 26% van de 'mogelijk-dyslectici'en in 82% van de 'niet-dyslectici'. Een kwart van alle leerlingen kon niet juist voorspeld worden. Mogelijk was dat te wijten aan onzuiverheid van het criterium. Met behulp van twee individueel af te nemen meetinstrumenten, de Klepeltest en de Een Minuut Test, werden 37 kinderen met een onverwachte uitslag opnieuw getest en werd het bestaande criterium voor 13 leerlingen aangepast. Met de discriminantanalyse kon nu 76% juist geplaatst worden. Met slechts 18 of 19 items uit zes subtests kon 80% juist geplaatst worden. Dat wil zeggen dat bij gebruik van de OTD2 ongeveer vijf leerlingen van een klas niet juist geplaatst kunnen worden. Vervolgonderzoek is dus aan te bevelen.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Dyslexie: Diagnosticering aan de hand van een vragenlijst

Ebus, M., van Haren, V., Knevel, D., Kusters, S., & Peelen, A.M. (2004).

De Communicate Vragenlijst (CVL) van Kramer & Vorst (2001) is ontwikkeld als diagnostisch instrument voor dyslexie. De CVL is een zelf rapportage vragenlijst waarin het draait om eigen ervaringen met taal.
In dit onderzoek is onderzocht of de CVL in staat is onderscheid te maken tussen dyslectici, licht dyslectici en niet dyslectici. Dit is onderzocht door middel van het afnemen van de CVL naast de Dylexia Screening Test (DST), een gerenommerd diagnostisch instrument voor dyslexie, vertaald uit het Engels (Fawcett & Nicholson).

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Liefdesverdriet

De gevolgen op het gebied van stresssymptomen, fysieke ongemakken en seksuele attitude engedrag.

Keeman, S., Kinkel, E., Mendel Landweer, E., Meinema, W.P., & Meisner, H. (2008).

Onderzocht werd wat de gevolgen zijn van liefdesverdriet op het gebied van stresssymptomen, fysieke ongemakken en seksuele attitude en gedrag. Bij 154 proefpersonen werd via internet een vragenlijst afgenomen. Er werd vanuit gegaan dat er een positieve samenhang bestaat tussen liefdesverdriet en stresssymptomen, tussen liefdesverdriet en fysieke ongemakken en dat er een samenhang is tussen liefdesverdriet en seksuele attitude en gedrag.

Het volledige verslag vint u hieronder.

Vragenlijst voor succes op school

Onderzoek naar voorspellers van succes bij adolescenten.

Ruijter, L., Peters, I., Drontmann, A., Troch, M., & Martijn, R. (2008).

In dit onderzoek is nagegaan in hoeverre depressie, gepest worden, optimisme, concentratie en de ideeën over intelligentie goede voorspellers zijn voor schoolsucces.
Aan de hand van deze voorspellers is de Vragenlijst Voor Succes en Welbevinden (VVSW) samengesteld. Dezevragenlijst bevat 60 stellingen en 8 exitvragen. Bij de laatste exitvraag werd gevraagd naar het gemiddelde cijfer op 12 vakken. De vragenlijst werd afgenomen bij 442 adolescenten van verschillende middelbare scholen in Nederland. De proefpersonen, 204 jongens en 237 meisjes (1 onbekend) waren derde envierde klassers van de HAVO of het VWO tussen de 14 en 17 jaar oud (M= 14.90).

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Hoogbegaafd: Alleen bijzonder slim?

Teertstra, N., Wolzak, M., Blom, A., & Welboren, R. (2008).

Er bestaat veel controversie over de sociale begaafdheid van hoogbegaafde kinderen. Zo zouden zij moeilijker aansluiting kunnen vinden bij hun leeftijdsgenootjes. De vraag is of dit komt door een achterstand in de sociaal-emotionele ontwikkeling of juist door een voorsprong. In dit onderzoek werd onderzocht of hoogbegaafde kinderen sociaal vaardiger zijn dan niet- hoogbegaafde kinderen. Tevens werd getoetst of hoogbegaafde kinderen in een plusklas dezelfde mate van zelfvertrouwen hebben dan niet-hoogbegaafde kinderen. Om dit te toetsen werden de scores op de Schoolvragenlijst (Smit &Vorst, 1982) vergeleken van 108 hoogbegaafde kinderen met de scores van 114 niet-hoogbegaafde kinderen. De hoogbegaafde kinderen scoorden significant hoger op Sociale Vaardigheid, Uitdrukkingsvaardigheid en Zelfvertrouwen dan hun niet-hoogbegaafde klasgenootjes. Hieruit kan er worden geconcludeerd dat er bij hoogbegaafde kinderen sprake is van een sociaal-emotionele ontwikkelingsvoorsprong.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

De Schoolsuccesvragenlijst

Predictorenonderzoek naar het succes op school bij adolescenten.

Veldt, J., Meijer, S., Arbouw, T., Noordzij, W. J., & van Wijk, S. (2007).

In dit onderzoek is gezocht naar goede voorspellers voor schoolsucces, en dan met name persoonseigenschappen van mensen. Er werd gekozen voor acht mogelijke voorspellers: perfectionisme, eigenwaarde, optimisme, zelfcontrole, motivatie, concentratie, 'geloof in geluk' en 'locus of control'. Met deze acht persoonseigenschappen werd de Schoolsuccesvragenlijst opgesteld, een vragenlijst van 123 stellingen met vier antwoordmogelijkheden . De vragenlijst werd afgenomen bij 425 leerlingen van verschillende middelbare scholen in Noord-Holland van klas 3 HAVO en 3 VWO. Van deze leerlingen werden er375 geschikt bevonden voor analyse, deze hadden een gemiddelde leeftijd van 14,87 (SD = 0.66) een maximum van 18jaar en een minimum van 14 jaar. De vragenlijst werd klassikaal afgenomen doorde proefleiders, aan het eind van de lijst gevraagd naar het geschatte cijfer voor 12 verschillende vakken. Het gemiddelde cijfer werd als criterium gebruikt. Uit de analyses bleek dat de beste voorspellers van deacht eigenschappen concentratie en 'locus of control' waren. Verder bleek dat volgens verwachting optimisme, zelfcontrole, 'locus of control', motivatie en concentratie een positieve invloed hebben op schoolsucces. Tegen de verwachtingen in hadden eigenwaarde en 'geloof in geluk' geen invloed op schoolsucces en de eigenschap perfectionisme zelfs een negatieve invloed op schoolsucces. In potentie lijkt de schoolsuccesvragenlijst een goede voorspeller van schoolsucces. Vervolgonderzoek zou het beste zich kunnen richten op de eigenschappen 'locus of control' en concentratie met betrekking tot het voorspellen van schoolsucces.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Vragenlijst Probeem Gedrag bij adolescenten (VPG)

Bronwasser, R., Grupstra, N., Oegema, K.,& van Santen, K. (2007).

Kleine scholen komen tegenwoordig steeds minder voor in het voortgezet onderwijs. Het beeld van de school waar alle leraren alle leerlingen kennen klopt vaak niet meer. Het aantal leerlingen per schoolin het voortgezet onderwijs stijgt al jaren gestaag. In hetschooljaar 2004/2005 was er in het voortgezet onderwijs een gemiddeld aantalleerlingen van 1266 per school (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2005). Verschillende scholen hebben aangegeven dat de sociale controle afneemt naar mate het aantal leerlingen toeneemt. Leraren zeggen minder zicht te hebben op wat er bij adolescenten speelt. Volgens hen hebben deze ontwikkelingen ertoe geleid dat er steeds meer probleemgedrag onder de leerlingen bestaat dat niet wordt waargenomen. Omde trend tegente gaan dat leerlingen met hun problemen blijven zitten, omdat dezeniet worden opgemerkt door de leraar, moet er een vragenlijst worden ontwikkeld om dit probleemgedrag op te sporen. Het doel van dit onderzoek is om een vragenlijst te ontwikkelen waarmee probleemgedrag bij adolescenten wordt gemeten. Deze vragenlijst wordt op betrouwbaarheid en validiteit gecontroleerd.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Sociaal succes en welbevinden bij jongeren

Hoogenkamp, H., Huijts, I., & Keijser, M. (2007).

In dit onderzoek werden verscheidenepredictoren voor Sociaal Succes en Welbevinden (SSW) bij jongeren correlationeel onderzocht. De predictoren in dit onderzoek waren Extraversie, Neuroticisme, Band tussen ouder en kind, Eigenwaarde enOngezonde levensstijl. Middelbare scholieren (N=333)van het vmbo, de havo en het vwo

vulden een zelfrapportagevragenlijst in, waarna de score op de predictoren en op SSW werd berekend. Uit de resultaten kwam naar voren dat alle predictoren, met uitzondering van 'ongezonde levensstijl', significant correleerde met SSW. Behalve op het vwo: daar correleerde alle predictoren significant met SSW. Eigenwaarde bleek de beste voorspellervan SSW.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Validatie van de Z-TASSK

Keunen, K., Post Uiterweer, A., Roe, M., & Veldkamp, C. (2007).

Met dit onderzoek is getracht een zelfbeoordelingstest, de Z-TASSK, te creëren waarmee het mogelijk is om jonge kinderen op mogelijke aanwezigheid van een ASS-gerelateerde stoornis te testen.Deze Z-TASSK is gebaseerd op de in eerder onderzoek ontworpen ZAK (Bakker et al., 2006), en werd afgenomen bij kinderen met en zonder ASS-diagnose om te kijken of de test onderscheid kon maken. De betrouwbaarheid van de test bedroeg α=0.82, en met behulp van discriminantanalyse was de test in staat bij 75.9% van de leerlingen het wel of niet aanwezig zijn van ASS correct te voorspellen, maar na matching op intelligentie met behulp van een verkorte intelligentietest (de CVT) bleek de test dit nog bij 57% van de leerlingen te kunnen. De criteriumtestLASS, een lerarenbeoordelingsformulier per leerling, bleek het opvallend veel beter te doen met een Cronbach'salfa van 0.95% en een onderscheidend vermogen van 93.8% bij de discriminantanalyse. Het blijkt dus mogelijk omleerlingen klassikaal met behulp van een zelfbeoordelingstest te screenen op aanwezigheid van een autisme gerelateerde stoornis, maar dit is met behulp van een lerarenbeoordelingslijst vooralsnog een stuk betrouwbaarder te doen aangezien vooral het gebied vanstereotype gedragingen bij kinderen met autisme lastig te meten blijkt via een zelfbeoordelingstest.

Het volledige verslag vindt uhieronder.

Eetstoornissen, Alexithyme Persoonlijkheidstypen en Depressie

Griffioen, M., Gulpers, E., Nelissen, E., Notté, F., & Wijma, J. (2006).
In dit onderzoek wordt de vraag gesteld of de reden waarom eetstoornispatiënten problemen ondervinden bij het reguleren van hun emoties te wijten is aan alexithymie. Meerdere onderzoeken hebben een verband gevonden tussen eetstoornissen en alexithymie (Cochrane, Brewerton, Wilson, & Hodges, 1992; Troop, Schmith, & Treasure, 1994; Laquatra, & Clopton, 1994). Dit verband verdwijnt echter als er wordt gecontroleerd op depressie. Bermond en Vorst (2001) ontwikkelden een nieuwe alexithymie test: de Bermond Vorst Alexithymia Questionnaire (BVAQ), welke vijf factoren in het construct alexithymie onderscheidt. Deze factoren kunnen worden onderverdeeld in twee dimensies. Een affectieve dimensie, bestaande uit: (1) onvermogen tot emotionaliseren en (2) onvermogen tot fantaseren. Daarnaast een cognitieve dimensie, bestaande uit: (3) onvermogen tot identificeren van emoties, (4) onvermogen tot analyseren van emoties en (5) onvermogen tot verbaliseren van emoties. Binnen het construct alexithymie zijn vier persoonlijkheidstypen te onderscheiden. Type 1 wordt gekarakteriseerd door de afwezigheid van zowel de emotionele beleving als de bijbehorende (emotiegerelateerde) cognitie. Type 2 laat zich omschrijven als een selectievestoornis in de emotionele cognitie waarbij de emotionele ervaring gehandhaafd blijft. Type 3 wordt gekarakteriseerd door weinig tot geen emotionele beleving, maar hoge cognitieve capaciteiten. Type 4 (lexithym) wordt gekenmerkt door een hoge emotionele beleving en hoge cognitieve (emotiegerelateerde) capaciteiten. De eetstoornispatiënten bleken inderdaad, ook na controle op depressie, in hoge mate alexithym, scorend binnen het Type 1. Daarnaast scoorden de eetstoornispatiënten in de hoogste depressiecategorieën. De BVAQ en de BDI blijken bij deze groep twee verschillende constructen te meten met weinig overlap. Bij eetstoornispatiënten kunnen depressiviteit en alexithymie dus gezien worden als twee verschillende stoornissen die onafhankelijk van elkaar kunnen bestaan. De studentes met de hoogste eetstoornisscores vielen daarentegen onder het alexithyme Type 2. Dit impliceert mogelijk dat Type 2 een voorloper is van Type 1 bij eetstoornissen.
Het volledige verslag vindt u hieronder.

Zelfbeoordeling bij Autisme Spectrum Stoornisen

Bakker, B., de Boer, D., Bouman, S., Geutjes, L.,Kircher, C., & Klijn, J. (2006).

In dit onderzoek is onderzocht of de nieuw geconstrueerde test, de Zelfbeoordelingvragenlijst Autisme spectrum stoornissen bij Kinderen, de ZAK, een valide meetinstrument is. Hierbij werd gekeken of de ZAK onderscheid kan maken tussen kinderen met een autisme spectrum stoornis (ASS) en kinderen zonder ASS. Aan het onderzoek deden 99 kinderen mee. Daarvan volgden 61 kinderen onderwijs op een reguliere basisschool en 38 kinderen volgden speciaal onderwijs. De kinderen van het speciaal onderwijs waren allen gediagnosticeerd met een stoornis binnenhet autistisch spectrum. Alle leerlingen vulden de ZAK in en daarnaast ook nog een Cognitieve Vaardigheidstaak, de CVT. De CVT werd afgenomenom inzicht te krijgen inde cognitieve vaardigheden van de kinderen waarna de kinderen gematched werdenop basis van gelijke CVT scores. Tevens werd doordeleraarvoor iedere proefpersoon de AUTI-R, een bestaand meetinstrument voor ASS, ingevuld. Uit de resultaten van het onderzoek kan geconcludeerd worden dat de ZAK een valide meetinstrument is voor het screenen van grote groepen kinderen op de aanwezigheid van ASS.Daarnaast blijkt de ZAKin zijn geheel niet te worden beïnvloed door intelligentie. De ZAK lijkt ookinzekere mate hetzelfde te meten als de AUTI-R.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

Emotionele intelligentie bij jongeren

Buckens, E., van Eersel, T., Schrijver, C., Tjebbes, S.,& Veldt, C. (2006).

Dit onderzoek gaat in op de vraag of emotionele intelligentie (EI), gedefinieerd als inzicht, en de persoonlijkheidskenmerken extraversie en neuroticismeverschillende constructen zijn en in welke mate deze constructen bijdragen aan de verklaring van sociaal succes en welbevinden (SSW). Proefpersonen (N = 1426) dienden twee zelfrapportagevragenlijsten in te vullen waarmee de score op EI, sociaal succes en welbevinden, neuroticisme en extraversie werd berekend. De resultaten toonden een significante samenhang tussen EI en sociaal succes en welbevinden. EI bleek, naast de persoonlijkheidskenmerken, een significante variabele in eenmodel terverklaring van sociaal succes en welbevinden. De correlatie tussen EI en extraversie en neuroticisme bleef onder dein de verwachtingen geformuleerde grens van .05. Hieruit kan geconcludeerd worden dat EIenpersoonlijkheidverschillende constructen zijn. Persoonlijkheid levert echter een aanzienlijk grotere bijdrage dan EI in de verklaring en voorspelling van sociaal succes en welbevinden.

Het volledige verslag vindt u hieronder.

HOE WORDT DE WISC-III NL IN DE PRAKTIJK GEBRUIKT?

Bianca van Bers, Mardou Jacobs, Ingrid Koek, Dicky Meijer en JacquelinePlat. (2004).

EFFECTEN VAN ENQUÊTEKENMERKEN OP DE RESPONS .
Dit onderzoek probeerde te achterhalen hoe de WISC-III NL in de praktijk wordt gebruikt. Daarvoor werden 876 kopers van deze intelligentietest benaderd met een daartoe ontworpen enquête. Daarnaast werd een experimenteel onderzoek uitgevoerd door kenmerken van de enquêtete manipuleren om na te kunnen gaan wat het effect zou zijn op hetresponspercentage, de responssnelheid ende responskwaliteit.

"Hoe wordt de WISC-III NL in de praktijk gebruikt?"
Uit de resultaten vanhet beschrijvende onderzoek kwam het volgende naar voren. In 2003 werden de beide versies van de WISC nog veel gecombineerd. In 2004 verwacht men de WISC-III NL steeds meer te gaan gebruiken. De meeste respondenten testten in 2003 1 tot 20 kinderen. Dit waren ook de verwachtingen voor 2004 met betrekking tot de WISC-III NL. Voor het gebruik van de WISC-R NL en de combinatie van beide versies werd een meer gespreid patroon verwacht. De meeste geteste kinderen in 2003 waren negen, tien en elf jaar. In 2004 wordt hetzelfde verwacht ongeacht de versie van de test. Voor 2003 en 2004 kwam naar voren dat beide tests het meeste werden gebruikt voor diagnose in verband met leermoeilijkheden of ten behoeve van speciale onderwijsprogramma's envoor klinische diagnose. Over het algemeen werden allestandaard subtests bijna altijd gebruikt. Het merendeel van de respondenten berekendealtijd het verbaal, performaal en totaal IQ. De factorscores werden iets minder frequent gebruikt. De meeste gebruikers combineerden vijf of meerandere tests met een van beide versies van de WISC.Dit warenvooral persoonlijkheidstests. Een groot aantal respondenten gaf aan behoefte te hebben aan aangepaste normen, met name voor allochtone en tweetalige kinderen. Ook ten aanzien van de validiteit had men aangepaste wensen. De algemene indruk van de WISC-III NL was goed.Op de specifieke punten oordeeldemen overeenkomstig het oordeelvan de COTAN. Tot slot werd er heel veel gebruik gemaakt van de mogelijkheid om aanvullende opmerkingen te maken over de discussie rond de WISC-IIINL en in het algemeen over het gebruik van de test.

Effecten van enquêtekenmerken op de respons.
De enquêtes werden op respectievelijk wit, roze en rood papier gedrukt. De begeleidende brief en herinnering werd al of niet van een persoonlijke aanhef enhandmatige ondertekening voorzien en de herinneringsbrief werd één dan wel drie weken na de enquêtezelf verstuurd. Verwacht werd dat enquêtes gedrukt op gekleurd papier, voorzienvan een persoonlijke brief en na een korte herinnering een hogere, snellere en betere respons opzouden leveren. De enquête werd door meer dan de helft van de benaderde personen en instanties ingevuld en teruggestuurd. Van enig effect van demanipulaties was tegen de verwachtingen in nauwelijks sprake. Een verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat de benaderde doelgroep een dermate hoge betrokkenheid en belang had bij deze enquête, dat zij zich niet hebben laten beïnvloeden door kleur, verpersoonlijking of snelheid van de herinnering. 

OP- EN AANMERKINGEN VAN WISC-GEBRUIKERS .
De Nederlandse versie van de Wechsler Intelligence Scale for Children, de WISC, werd in 2002 in een nieuwe versie op de markt gebracht, de WISC-III NL. Deze versie was al snel onderwerp van discussie en kreeg heftige kritieken te verduren. De normering en de validiteit werdendoor de Cotanonvoldoende beoordeeld, en de test werd daarom zelfs enige tijd uit de handel gehaald. Ditonderzoek probeert te achterhalen hoe de WISC en met name de WISC-III NL in de praktijk wordt gebruikt. Daarvoor werden876kopers vandeze intelligentietestbenaderd met een daartoe ontworpen enquête.
Bijna 500 personen hebben deelgenomen aan het onderzoek. Een ongebruikelijk hoog percentage heeft zeer uitgebreide en persoonlijke toelichtingen gegeven op de vragen.
In dit verslagzijn de letterlijke op- en aanmerkingenvan ongeveer de helft van de respondenten weergegeven. Deop- en aanmerkingen betreffen omschrijvingen van de doelen waarvoor de WISC in 2003 (vraag 5) en  in 2004 (vraag8), de behoeften aan andere dan de bestaande normen (vraag 11) en anderedan de beschikbare validiteitsgegevens (vraag 12), de tests die in combinatie met de WISC worden afgenomen (vraag 14), de mening van respondenten over de discussie over de introductie van de WISC-III NL (vraag 19), de gebieden waarop derespondent werkzaam is (vraag 19) en waarop de organisatie van de respondent werkzaam is  (vraag 20), het werkverband van de respondent  (vraag 21), diens functie (vraag 22) en aanvullende opmerkingen over het gebruik van de WISC-III NL. Deze gegevens bleken van belang en zijn moeilijk samen te vatten zonder afbreuk te doen aan de intenties van de respondenten.

ADVIES VOORTGEZET ONDERWIJS

R. Eichhorn, R.J. Janson en E.T. van Steenbergen (2004).
 
Het advies voor het voortgezet onderwijs is gebaseerd op verschillende factoren.In Nederland wordt hiervoor gebruik gemaakt van het oordeel van dedocent en van toetsen, zoals de wel bekende Cito-toetsen. In dit onderzoek is gekeken naar devoorspellende waarde van de  ISI-test, de Cito-Entreetoets, het Leerlingvolgsysteem, de Cito-Eindtoets, Docentbeoordelingen, het advies van de basisschool en de wens van de ouders. Er is nagegaan welke variabele of combinatie van variabelen een goede voorspeller zou zijn voor het niveau van de leerling op het voortgezet onderwijs. Verwacht werd dat het Leerlingvolgsysteem de bestevoorspeller zou zijn. Door middel van een archiefonderzoek zijn van 772 leerlingen gegevens genoteerd (man: N= 359,vrouw: N= 359, onbekend: N= 54). De hypothesedat het Leerlingvolgsysteem de beste voorspeller zou zijn werd door de resultaten niet gesteund. Het bleek dat hetadvies van de basisschool en de wens van de ouders samen het beste het schoolniveau voorspellen. 

SchoolVragenLijst

Wellicht bent u bekend met de SchoolVragenLijst (SVL) waarvan de papieren versie op dit moment wordt uitgegeven door Harcourt Test Publishers te Amsterdam. De SVL is een psychologische test waarmee men inzicht kan krijgen in de motivatie, de tevredenheid en het zelfvertrouwen van leerlingen. De SVL wordt op vele scholen voor primair en secundair onderwijs gebruikt als begeleidings-& adviseringsinstrument. Ook wordt de SVL gebruikt om het sociaal-emotioneel functioneren van leerlingen te testen in het kader van de indicatiestelling voor leerwegondersteunend onderwijs en praktijkonderwijs. Aan de papieren versie verandert de komende tijd niets. Die kunt u blijven bestellen bij Harcourt.

SAQI

SAQI (School Attitude Questionnaire - Internet) is de digitale SVL, die de komende tijd compleet vernieuwd wordt. De nieuwe naam is nodig omdat deze digitale versie via internet een nieuw product is bij een nieuwe uitgever.
SAQI krijgt voorspellende indicatoren voor o.a. pestgedrag en schoolprestaties, wordt adaptief aangeboden (leerlingen krijgen alleen vragen die op hen van toepassing zijn), wordt optimaal aangepast aan het veranderde onderwijsveld (vormen voor Speciaal BO, VMBO, MBO, Studiehuis, Hoger Onderwijs) en komt in belangrijke Europese talen uit (Engels, Frans, Duits). SAQI zal niet alleen informatie bieden over de leerling, maar ook over de klas en de school.
Deze aanpassingen zullen tot stand komen mede met de hulp van gebruikers.
Verder is afgelopen jaar gewerkt aan nieuwe normen voor de schriftelijke SVL en de digitale SAQI. De nieuwe normering is geheel aangepast aan het huidige onderwijssysteem.

U kunt zich aanmelden voor de digitale versie op de website van SAQI of bij uitgeverij Libbe Mulder.

COTAN beoordeling en indicatiestelling

De Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN) van het NIP (Nederlands Instituut van Psychologen) heeft de SAQI beoordeeld en, zoals u hieronder kunt zien, is het oordeel zeer gunstig. Met uitzondering van de Criteriumvaliditeit, ook volgens de COTAN het minst belangrijke criterium, 'scoort' de SAQI op de meeste criteria 'goed', het hoogst haalbare oordeel. Hiermee is de SAQI goedgekeurd door de COTAN.

Op grond hiervan zal de SAQI worden opgenomen in de regeling voor de vaststelling van instrumenten bij de Indicatiestelling.

Beoordeling van de SAQI 2008
I.        Uitgangspunten bij de testconstructie   -  voldoende
IIa.     Kwaliteit van het testmateriaal   -  goed
IIb.     Kwaliteit van de handleiding   -  goed
III.      Normen   -  goed
IV.      Betrouwbaarheid   -  goed
Va.     Begripsvaliditeit   -  voldoende
Vb.     Criteriumvaliditeit   -  onvoldoende

Congres 25 jaar SVL/start SAQI

Op 19 januari 2007 heeft aan de Universiteit van Amsterdam het congres 25 jaar SVL/start SAQI plaatsgevonden.
Via onderstaande links vindt u informatie over deze dag.

2015

  • B. Bermond, P. Oosterveld & H.C.M. Vorst (2015). Measures of Alexithymia. In G.J. Boyle, D.H. Saklofske & G. Matthews (Eds.), Measures of personality and social psychological constructs (pp. 227-256). London [etc.]: Academic Press.
  • P. Tamboer, H.C.M. Vorst & F.J. Oort (in press). Five describing factors of dyslexia. Journal of Learning Disabilities. doi: 10.1177/0022219414558123

2014

2013

2011

2010

2008

2008

  • P.P. Moormann, B. Bermond, H.C.M. Vorst, A.F.T. Bloemendaal, S.M. Teijn & L. Rood (2008). New avenues in alexithymia research: The creation of alexithymia types. In A.J.J.M. Vingerhoets, I. Nyklicek & A. Vingerhoets (Eds.), Emotion regulation. Conceptual and clinical issues (pp. 27-42). New York: Springer.
  • A.L.M. de Vries, G.J. Mellenbergh, J. van Heerden & H.C.M. Vorst (2008). The multidimensional forced-choice item fails to control for social desirability due to the additive scoring method. In K. Shigemasu, A. Okada, T. Imaizumi & T. Hoshino (Eds.), New trends in psychometrics (pp. 51-60). Tokyo: Universal Academy Press.

Wetenschappelijke positie

  • H.C.M. Vorst (period: 2010 till 2010). Ontwikkeling test: IST Intelligentie Structuur Test. Position at : Uitgever: Hogrefe Uitgevers.
This page has been automatically generated by the UvA-Current Research Information System. If you have any questions about the content of this page, please contact the UBAcoach or the Metis staff of your faculty / institute. To edit your publications login to Personal Metis.

No known ancillary activities

edit