Barak Kalir

Universitair hoofddocent in de Sociologie en antropologie

Kalir vertelt over ‘geïllegaliseerde migranten’ en de onhaalbaarheid van het huidige uitzettingsbeleid. Kalir is universitair hoofddoccent in de Sociologie en antropologie.

B. Kalir

Barak Kalir

Vito Fiorino meende in de doordringende kreten die hem en zijn vrienden op 4 oktober 2013 bij zonsopgang wekten, het gulzige gekrijs van zwevende zeemeeuwen te horen. Hij haastte zich aan dek van zijn voor de kust van Lampedusa aangemeerde jacht, waar zijn nieuwsgierigheid in consternatie en daarna in diep afgrijzen omsloeg bij de aanblik van de lijken die her en der op het blauwige water van de Middellandse Zee dobberden. Vlakbij had Domenico Colapinto, een visser uit de omgeving, de slachtoffers van wat een schipbreuk leek al bereikt. Colapinto deed zijn best een verdrinkende vrouw in veiligheid te trekken en probeerde tevergeefs haar met diesel besmeurde armen vast te grijpen. ‘… Ik kreeg haar niet goed te pakken. Ze viel weer in het water en ik riep “hou vast, hou vast”. Ze keek me zwijgend aan, ze was uitgeput. Ze kon niet eens blijven drijven. Ik moest toekijken hoe ze naar beneden gleed, zonder een kik te geven, en dan die ogen die me aankeken.’[1] De Italiaanse kustwacht, die al snel ter plaatse was, kreeg vervolgens de afschuwelijke taak de lichamen van honderden mannen, vrouwen en kinderen te bergen. Migranten bij wie het wanhopige streven naar een beter leven sterker was geweest dan hun angst een verraderlijke zee over te steken in een wrakke, overvolle boot. Zij zijn de onbekende, naamloze slachtoffers van een drama dat zich aan de grenzen van het rijke Europa steeds opnieuw afspeelt.

Ondanks de huiveringwekkende afloop maakt wat inmiddels bekendstaat als de scheepsramp van Lampedusa – waarbij meer dan 350 Afrikaanse migranten verdronken toen hun boot in brand vloog en zonk – deel uit van een bredere en steeds terugkerende discussie over illegale immigratie, in Europa en de rest van de wereld. Illegale immigratie is een kwestie met duidelijke politieke en sociaaleconomische implicaties en domineert als zodanig de politieke agenda van veel, zo niet alle, ontwikkelde en ontwikkelingslanden. De rijke landen van de Europese Unie trekken jaarlijks een aanzienlijk deel van hun nationale begroting uit voor grensbewaking en voor de opsporing, vastzetting, registratie en uitzetting van de ‘illegale vreemdelingen’ die zich al binnen hun grenzen bevinden. Door de onzekerheid als gevolg van de toenemende globalisering en door de heropleving van het populisme in de politiek treden veel landen de laatste jaren strenger op tegen illegale immigratie. In Nederland, maar ook elders, is dit hardere beleid in de praktijk echter niet altijd een succes, en soms worden de doelen zelfs bij lange na niet gehaald.

Het is dan ook geen wonder dat er de laatste tijd veel onderzoek wordt gedaan naar bijvoorbeeld het uitzettingsbeleid van de overheid en de positie van illegale migranten. Een breed scala universitaire onderzoekers, van sociale wetenschappers tot juristen, houdt zich bezig met de vele kanten van transnationale migratie tussen staten. Eén van hen is de aan de UvA verbonden antropoloog Barak Kalir, die uitgebreid onderzoek heeft gedaan naar het lot van ongedocumenteerde migranten. Om het belang van zijn werk te onderstrepen heeft de Europese Onderzoeksraad hem onlangs een startstipendium toegekend voor zijn komende project, over het uitzettingsbeleid in vier landen. Deze maand spreken we met dr. Kalir over ‘geïllegaliseerde migranten’ en de onhaalbaarheid van het huidige uitzettingsbeleid.

Kunt u ons meer vertellen over uw onlangs verschenen boek 'Transnational Flows and Permissive Polities'?

Het boek is een verzameling etnografische beschrijvingen van transnationale migratie en grensoverschrijdingen in Azië. Het boek behandelt niet alleen de spanning tussen de legale en illegale/clandestiene aspecten van transnationale (im)mobiliteit, maar ook kwesties rond mobiliteit en diaspora vanuit verschillende gezichtspunten. Het werpt een nieuw licht op globalisering van onderop en onderzoekt de verhalen en opvattingen van het mobiele subject (de migrant zonder papieren – red.) en hun gevoel bij bepaalde plaatsen of gemeenschappen te horen.

U hebt onlangs van de Europese Onderzoeksraad een startstipendium gekregen voor een nieuw project, over het uitzettingsbeleid van vier landen. Kunt u daar meer over vertellen? 

Als antropoloog heb ik mij in mijn onderzoek de afgelopen tien jaar vooral beziggehouden met ongedocumenteerde migranten: hun motieven, marginaliteit, vooruitzichten en ervaringen. Ik heb ook de effectiviteit van het overheidsbeleid onderzocht en de manier waarop dit het dagelijks leven van marginale bevolkingsgroepen beïnvloedt en vormt. Op een gegeven moment heb ik mijn aandacht echter verlegd, toen ik besefte dat de problemen rond ongedocumenteerde migratie in de ontvangende landen misschien niet zozeer te maken hebben met het overheidsbeleid an sich als wel met de manier waarop dat in de dagelijkse praktijk wordt uitgevoerd.

Toen ik op die gedachte verder doorging, ontdekte ik een hiaat. Er is weliswaar veel onderzoek gedaan naar óf de positie van migranten óf het overheidsbeleid in ontvangende landen, maar er is weinig bekend over wat ik het 'mesoniveau' noem: de groepen die het beleid moeten uitvoeren en die direct, dagelijks contact hebben met ongedocumenteerde migranten. Deze uitvoerders vallen in twee schijnbaar tegengestelde groepen: aan de ene kant van het spectrum de vertegenwoordigers van de overheid, zoals politiemensen, ambtenaren en de gemeente, die de letter van de wet volgen en het beleid ijverig uitvoeren, en aan de andere kant de maatschappelijk betrokkenen, zoals mensenrechtenorganisaties en andere ngo’s, die het lot van ongedocumenteerde migranten proberen te verlichten. In tegenstelling tot de gangbare veronderstelling dat deze twee groepen direct tegenover elkaar staan, blijkt uit mijn eerste bevindingen een zekere ambiguïteit, waardoor er een complexer beeld ontstaat. De mensen die deel uitmaken van deze groepen huldigen soms opvattingen en ideeën die niet stroken met de taken die ze geacht worden uit te voeren. Zo zijn er veel vertegenwoordigers van de overheid met buitengewoon vooruitstrevende ideeën over migratie, die een radicaal andere aanpak voorstaan dan de huidige. Deze kloof tussen de eigen principes en de officiële taken leidt vervolgens tot het selectief uitvoeren van het beleid. Hetzelfde geldt voor ngo’s, waar ook mensen werken met zeer conservatieve opvattingen over migratie, die als privépersoon voorstander zijn van strengere maatregelen om migratie tegen te gaan.

Voor mijn project, waarvoor ik het uitzettingsbeleid van Griekenland, Spanje, Ecuador en Israël met elkaar vergelijk, probeer ik onder andere in kaart te brengen en te begrijpen hoe dergelijke wereldbeelden tot stand komen en hoe ze op hun beurt zaken als beleidsvorming en -uitvoering beïnvloeden.

BoatImmigrants-Flickr-CreativeCommons-UNHCR

Photo: UNHCR

Waarom juist deze vier landen?

Ik heb deze landen allereerst gekozen omdat ze een mondiale vergelijking mogelijk maken. Door hun aanpak van ongedocumenteerde migratie te bestuderen, wil ik bepalen of landen qua uitzettingsbeleid en -praktijk naar elkaar toegroeien. Verder hoop ik te achterhalen of deze veronderstelde convergentie ook geldt voor de manier waarop het maatschappelijk middenveld in deze landen reageert op het overheidsbeleid.

In Europa zijn Griekenland en Spanje de meest geschikte kandidaten voor zo’n vergelijkend onderzoek, omdat beide aan de rand van de Europese Unie zijn gelegen en ongedocumenteerde migranten die de Europese Unie proberen te bereiken, in eerste instantie daar aankomen. Ecuador en Israël zijn interessant omdat hun uitzettingsbeleid fundamenteel verschilt. Het Israëlische beleid is uiterst restrictief, gewelddadig en er uitsluitend op gericht migratie tegen te gaan, terwijl dat van Ecuador waarschijnlijk tot de meest progressieve ter wereld behoort en gekenmerkt wordt door een zeer humane en zorgzame benadering van het vraagstuk van de ongedocumenteerde migranten. Anders dan Israël werkt de Ecuadoriaanse overheid actief en nauw samen met ngo’s en andere partijen.

Wat is het maatschappelijk nut van dit soort onderzoek?

We moeten natuurlijk realistisch blijven in onze verwachtingen, maar ik merk dat ik de laatste tijd meer uitnodigingen krijg voor workshops en interviews over het uitzettingsbeleid. Die uitnodigingen zijn vaak afkomstig van beleidsmakers en ambtenaren die snakken naar nieuwe ideeën over dit onderwerp. Het idee dat het huidige stelsel onwerkbaar, ineffectief en aan herziening toe is, lijkt steeds breder ingang te vinden. In dat opzicht kan nader onderzoek een belangrijke rol spelen bij het aandragen van alternatieven.

Vindt u het huidige uitzettingssysteem onwerkbaar? 

Oh ja, daar ben ik rotsvast van overtuigd. Volgens mij werkt het mondiale uitzettingssysteem niet, vanuit welk standpunt je het ook bekijkt. Het werkt niet, omdat het de verkeerde doelen stelt en met een enorme inzet van geld en mensen een oplossing probeert te vinden voor een schromelijk overschat probleem. Alleen al vorig jaar heeft de Nederlandse overheid ongeveer een half miljard euro uitgegeven om zo’n 3000 ‘illegalen’ in bewaring te nemen, hun zaak te behandelen en ze uit te zetten. Puur zakelijk gezien werpt zo’n mager rendement de vraag op of het huidige beleid wel houdbaar is. Kun we zulke exorbitante bedragen niet beter gebruiken?

De enige reden die ik kan bedenken dat de overheid hardnekkig doorgaat met beleid dat zo duidelijk misplaatst is, is de symboolwerking. Waar het hier werkelijk om lijkt te draaien, is het idee van ‘controle’. Zowel op de buitenwereld als op de eigen burgers wil de overheid als een strenge, waakzame hoeder van de eigen soevereiniteit overkomen. Bij veel overheden zie je een diepgewortelde angst om zowel in eigen land als daarbuiten ‘soft’ te worden gevonden en overspoeld te worden door immigranten. Anders dan je misschien zou denken, zijn veel migranten hoog opgeleide, gezagsgetrouwe mensen die een grote bijdrage aan de ontvangende landen zouden kunnen leveren. Ik denk echt dat mensen over vijftig jaar terugkijken op het ‘migratievraagstuk’ en zich afvragen hoe het zo lang heeft kunnen duren voordat we inzagen dat onze aanpak niet deugde.

Gepubliceerd door  Universiteit van Amsterdam

2 juni 2016