Ugur Ümit Üngör

Universitair docent Holocaust- en Genocidestudies

Ümit Üngör over de Rwandese genocide, zijn komende onderzoeksproject en hoe je je dagelijks met zo'n vreselijk fenomeen kunt bezighouden.

Ugur Üngör

Ugur Ümit Üngör. (Foto: Eduard Lampe)

De kerk in Ntarama is niet bepaald een indrukwekkend bouwwerk. Het bestaat uit een kleine, rechthoekige constructie met grote gaten in de muur en een golfplaten dak. De rode bakstenen vormen een scherp contrast met het weelderige Rwandese landschap. Binnen hangt een intense sfeer van verlatenheid. Via rijen stenen banken waarop vuile vodden en andere troep liggen, kom je bij het altaar achter in de kerk, waar een verweerd beeld van de Maagd Maria met uitdrukkingsloze ogen naar de grond staart. Vlak daarnaast stuit je op een heleboel schedels, die netjes in rijen voor een muur met karmozijnrode vlekken liggen. Het lijkt alsof ze de kerkgangers van weleer toespreken. Mensen die Ntarama bezoeken, voelen constant de kilte van de dood om zich heen.

In april 1994 vond in de kerk van Ntarama een van de afschuwelijkste episodes in de recente geschiedenis plaats. Er werden toen duizenden voornamelijk Tutsi-mannen, -vrouwen en -kinderen meedogenloos door de Interahamwe, een door Hutu's geleide militie, afgeslacht. Begin april vluchtten talrijke burgers naar de kerk om een veilige schuilplaats te zoeken tegen het genocidale geweld dat Rwanda teisterde. Ze hadden alleen het hoognodige bij zich. Binnen enkele dagen was hun aantal toegenomen tot vijfduizend. Steeds meer Tutsi's, uitgeput als ze waren door honger en angst, hoopten te ontkomen aan de moordpartijen die overal in het land plaatsvonden.[1] Die hoop bleek echter vergeefs, toen op 15 april gewapende mannen het terrein van de kerk omsingelden. De Interahamwe-strijders sloten alle ontsnappingsroutes af, wierpen granaten naar de kerk, waarin de meeste burgers zich hadden verschanst, en braken de deur van het gebouw open. Het bloedbad dat daarop volgde, tart nog steeds elke beschrijving. Volgens de weinige overlevenden begonnen Hutu-strijders met machetes op iedereen in te hakken, waarbij ze stelselmatig vrouwen doodknuppelden, kinderhoofdjes tegen de muren verbrijzelden en mannen als vee in een slachthuis van hun ingewanden ontdeden. Toen hun moordlust gestild was, gingen de genocideplegers gewoon op weg naar hun volgende doelwit. Drie maanden later eindigde de Rwandese genocide en kon de balans worden opgemaakt: tussen de half miljoen en één miljoen mensen stierven een gewelddadige dood.[2]

De Rwandese genocide mag dan haar eigen verschrikkingen kennen, het meest verbijsterende kenmerk heeft ze gemeen met andere volkerenmoorden uit de twintigste eeuw: de systematische en doelbewuste uitroeiing van de ene groep door de andere. Wanneer je de Rwandese genocide met andere massamoorden als de Holocaust of de Armeense genocide vergelijkt, zie je een aantal parallellen maar ook enkele verschillen. Ugur Ümit Üngör is het grootste deel van zijn werkzame leven bezig deze parallellen en verschillen in kaart te brengen, te analyseren en daarin inzicht te krijgen. Ümit Üngör is universitair docent aan de universiteiten van Utrecht en Amsterdam en verricht tevens onderzoek bij het NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies. Tijdens zijn nog korte loopbaan heeft hij veel lof ontvangen voor zijn onderzoek naar genocide en massaal geweld. Zo kreeg hij in 2006 de UvA-Scriptieprijs en viel hem in 2012 de Heineken Young Scientist of the Year Award ten deel. In de UvA-rubriek 'In gesprek met ... ' praten we deze maand met Ümit Üngör over de Rwandese genocide, zijn komende onderzoeksproject en hoe je je dagelijks met zo'n vreselijk fenomeen kunt bezighouden.

Waarom Holocaust- en genocidestudies? 

Ik ben altijd geïnteresseerd geweest in geschiedenis, maar aan mijn besluit om me in de Holocaust en genocides te specialiseren ligt een persoonlijke ervaring ten grondslag. In 2002 keek ik in de woonkamer van mijn oma in Istanbul naar een televisieprogramma waarin een Turkse academicus ontkende dat er in Turkije ooit een genocide had plaatsgevonden. Daarop keek ik mijn oma aan en vroeg haar of zij iets van een volkerenmoord afwist. Mijn oma was druk aan het breien en richtte haar blik op mij. Zonder een spier te vertrekken antwoordde ze dat in de Eerste Wereldoorlog in onze woonplaats Armeense burgers waren vermoord. Haar antwoord bracht mij in verwarring en ik vroeg me af hoe het mogelijk was dat de overheid een bepaalde waarheid verkondigde, terwijl gewone burgers iets totaal anders beweerden. Later ontmoette ik op mijn reizen door Turkije diverse oudere mensen die de officiële versie van de gebeurtenissen tegenspraken en erkenden dat er een massaslachting had plaatsgevonden.

Mijn belangstelling voor de Armeense genocide vormde later de basis voor mijn proefschrift Young Turk Social Engineering: Mass Violence and the Nation State in Turkey, 1913-1950. Daarin betoog ik dat de Armeense genocide de eerste in zijn soort was. Waarom? Omdat de slachting met succes werd uitgevoerd en de meeste daders nadien rijkelijk werden beloond met belangrijke posten in de pas gecreëerde Turkse staat.

NtaramaChurch-Flickr-CreativeCommons-PhillipKromer

Gedenksteen ter nagedachtenis aan de slachtoffers van het drama in de Ntaramakerk. (Foto: Phillip Kromer)

Het lijkt me niet gemakkelijk om dagelijks met massamoorden te worden geconfronteerd. Hoe weet u met zulke moeilijke materie om te gaan?

Het is altijd een dubbel gevoel. Ik zou geen mens van vlees en bloed zijn, als zulke verschrikkingen me koud lieten. In mijn vakgebied is het echter raadzaam niet al te emotioneel bij je onderwerp betrokken te raken. Er bestaan talrijke voorbeelden van onderzoekers die met hun emoties worstelden en uiteindelijk psychisch getraumatiseerd raakten en hun werk niet konden voortzetten. Ik zie mijzelf als een chirurg. Een chirurg wordt regelmatig geconfronteerd met vreselijke verwondingen, zoals een half afgerukt been. Hij of zij zal dan proberen verder te kijken dan alle bloed en misère en bedenken hoe de pijn van de patiënt kan worden verzacht en de wond met succes kan worden behandeld. Omdat ik elke dag onderzoek doe naar fenomenen met een genocidaal karakter, probeer ik de dingen altijd met een nuchtere, klinische blik te beschouwen. Wanneer ik bijvoorbeeld samen met mijn studenten naar een video over wreedheden kijk, zoals de schokkende reportages uit Syrië, richt ik mij op aspecten als het gedrag van de daders, de angst van de slachtoffers, de groepsdynamiek, de commandostructuur, enz. Kort gezegd tracht ik te vermijden dat mijn emoties me belemmeren om een grondige, objectieve analyse te maken.

Dit jaar is het twintig jaar geleden dat de Rwandese genocide plaatsvond. De regering-Kagame tracht de verzoening te bevorderen door de indeling in Hutu's en Tutsi's af te schaffen en een gedeelde Rwandese identiteit op te leggen. Wat vindt u daarvan? 

Net als alle andere samenlevingen die met genocide te maken hebben gehad, heeft de Rwandese maatschappij onherstelbare schade opgelopen. Een genocide laat onuitwisbare littekens achter die niet volledig kunnen genezen. Paul Kagame is het hoofd van een staat die nog steeds in het reine moet komen met de verschrikkingen van het recente verleden. Hij staat voor de enorme opgave om een in de kern gebroken samenleving te helen. Vanuit dit oogpunt bezien is zijn poging een gedeelde identiteit op te leggen en alle verwijzingen naar de Hutu- en Tutsi-identiteit uit te bannen begrijpelijk, maar wellicht ook naïef. Hoe nobel de motieven ook zijn, geen enkele staat kan zijn burgers dwingen één gezamenlijke identiteit aan te nemen, ongeacht welke maatregelen worden getroffen.

Deze fixatie op het smeden van één gemeenschappelijke, collectieve identiteit vloeit voort uit de obsessie van de Rwandese overheid met veiligheid en zelfbehoud. De resolute vastberadenheid van het regime van Kagame om te voorkomen dat zulke wreedheden ooit weer gebeuren, heeft parallellen met andere staten die een genocide hebben meegemaakt. Israël, Armenië, Rwanda: deze landen delen een trauma dat voortdurend tot uiting komt in hun overtrokken reactie op elke waargenomen dreiging, of deze nu reëel of denkbeeldig is. Natuurlijk wil ik met deze kanttekeningen niet ontkennen dat het regime van Kagame grote stappen heeft gezet om met het verleden in het reine te komen. Het verdient bijzonder krediet voor de wijze waarop de gebeurtenissen van 1994 in het land konden worden besproken, bediscussieerd en herdacht. Hoe je ook over de gehanteerde tactiek denkt, Kagame heeft getracht de verzoening tussen de Rwandezen te bevorderen en daarom valt hij te prijzen.

Een van de verbijsterendste kenmerken van de Rwandese genocide was dat veel van de daders en slachtoffers elkaar kenden. Sommigen waren zelfs buren of familieleden. Wat zegt zo'n kennelijk onvoorspelbare neiging tot geweld over de menselijke conditie? 

Deze vraag raakt aan een van de meest existentiële en theologische dilemma's op aarde: is de mens van nature slecht of juist goed, maar wordt hij gemakkelijk op het verkeerde pad gebracht? Helaas heb ik geen antwoord op deze eeuwenoude vraag. Wat ik wel weet is dat wanneer mensen de wapens oppakken om anderen te vermoorden, dit slechts het eindstadium vormt van een lang proces van radicalisering. Het is niet zo dat iemand op een ochtend wakker wordt en besluit om in het wilde weg mensen te doden. Gewoonlijk zijn de betrokkenen 'gehard' door jaren van conflicten, polarisatie en vervolging. Wanneer de polarisatie te ver wordt doorgevoerd en een samenleving te verdeeld raakt, ontstaan er diverse kampen en wordt de geweldsdrempel steeds lager. Al deze fasen hebben zich tussen 1991 en 1994 in Rwanda voltrokken.

Ondanks uw nog korte academische loopbaan hebt u veel prijzen in de wacht gesleept, waaronder de UvA-Scriptieprijs en de Heineken Young Scientist Award in 2012. Wat betekent deze erkenning voor u als onderzoeker?

Voor mij persoonlijk geeft het voldoening dat mijn harde arbeid wordt beloond en door anderen wordt gewaardeerd. Zulke prijzen zijn echter vooral belangrijk omdat zij de aandacht vestigen op het onderwerp genocide en massaal geweld. Ze onderstrepen ook het belang van het werk dat mijn collega's en ik verrichten: wij onderzoeken een lastig thema dat niettemin besproken moet worden, en publiceren daarover, zodat het in de openbaarheid komt. Dat doet recht aan de slachtoffers van genocidaal geweld, maar dient ook een praktisch doel. As we willen voorkomen dat zulke wreedheden ooit weer gebeuren, is het essentieel dat we inzicht verwerven in fenomenen met een genocidaal karakter en de meest verbijsterende kenmerken ervan leren herkennen.

Onlangs hebt u een Vidi-subsidie gekregen voor een nieuw onderzoeksproject. Kunt u ons daarover meer vertellen? 

Mijn vorige onderzoek ging meestal over specifieke genocides, zoals de Armeense genocide. De laatste paar jaar is mijn blik echter verschoven naar fenomenen met een genocidaal karakter in het algemeen. Ik houd me nu bezig met de vraag hoe genocides in verschillende landen en tijdperken konden plaatsvinden. In mijn toekomstige onderzoeksproject wil ik daarop voortbouwen door een meer vergelijkende aanpak te hanteren. Een van mijn voornaamste doelen is om kennis te vergaren over genocideplegers en licht te werpen op de vorming van paramilitaire organisaties, niet-reguliere strijdkrachten die gewoonlijk 'het vuile werk' opknappen. Waarom roepen staten zulke paramilitaire groepen in het leven? Wat voor mensen sluiten zich bij dergelijke groepen aan en wat zijn hun beweegredenen? Hoe functioneren deze eenheden? Bij de bestudering van deze onderwerpen zal ik voor een multidisciplinaire benadering kiezen, waarin geschiedenis, sociale psychologie en antropologie een plaats krijgen.

Ik besef dat het een enorme opgave is zo'n veelomvattend onderwerp met succes te behandelen, maar daarin ligt nu juist de voldoening van onderzoek bedrijven. Om echt een goede onderzoeker te worden, moet je altijd student blijven: je moet gefascineerd zijn, onverschrokken en vol verwondering over de wereld om ons heen.

Gepubliceerd door  Universiteit van Amsterdam

2 juni 2016