Reactie UvA-onderzoeker op artikel 'NRC'

17 januari 2017

Vandaag, 17 januari 2017, publiceerde 'NRC Next' een artikel over het UvA-onderzoek 'Chatting about Marriage with Female Migrants to Syria'. Prof. dr. Annelies Moors, hoogleraar Sociaal-wetenschappelijke studie van hedendaagse moslimsamenlevingen aan de UvA en een van de auteurs van het onderzoek, heeft driemaal een uitgebreide reactie gestuurd naar 'NRC'. Hieronder de belangrijkste punten.

1. Onvolledig en onjuiste weergave van de aard van het onderzoek en weglaten van onze eigen kanttekeningen daarbij

Wij hebben duidelijk aangegeven dat het gaat om een artikel van drie pagina’s in een populariserend antropologisch tijdschrift dat gebaseerd is op exploratief (verkennend) onderzoek; het staat dan ook onder de categorie ‘narratives’. We geven eveneens zelf aan dat er veel haken en ogen zitten aan onderzoek gebaseerd op chatten. We stellen expliciet dat het niet om een willekeurige steekproef gaat en dat we geen algemeen geldige uitspraken kunnen doen over de hele categorie uitreizigsters.

Er wordt gesteld dat niet bekend is welke vragen werden gesteld. Daar heeft Kouwenhoven nooit naar gevraagd. Onze onderzoeksvragen gingen op eerste plaats over huwelijkssluiting. Ons onderzoek is echter geen survey onderzoek met een vaste lijst met vragen, maar een antropologisch onderzoek waarbij informeel met mensen wordt gepraat (chatten dus). Daarbij kwamen ook andere onderwerpen aan de orde, zoals huishouden, kinderen etc. die door onze gesprekspartners werden ingebracht.

We kennen onze gesprekspartners bij de naam die ze gebruiken, maar hebben hen niet gevraagd naar hun officiele voor- en achternamen. Antropologen dienen zich aan ethische codes te houden. Wij hebben bij onze onderzoekaanvraag moeten toezeggen dat wij geen persoonsgegevens van onze gesprekspartners vastleggen. Het vastleggen van persoonsgegevens zou onze respondenten kunnen schaden, hetgeen ingaat tegen het ‘do no harm’ principe. In tegenstelling tot journalisten hebben antropologen niet het wettelijk recht hun bronnen te beschermen.

Daarnaast is het van belang op de merken, dat in deze specifieke situatie dit een van de weinige manieren is om onderzoek te kunnen doen. We hebben overigens ook verdere contextuele informatie over betrokkenen en hun onderlinge relaties, die het aannemelijk maken dat zij zich ten tijde van het onderzoek in bepaalde gebieden bevonden.

2. Onjuiste weergave van onderwerp van onderzoek en van onze conclusies

De belangrijkste nieuwe inzichten die het onderzoek heeft opgeleverd gaan over huwelijkssluiting en de veranderingen die daarin zijn opgetreden na de vestiging van het kalifaat. Aanvankelijk werden huwelijken van de uitreizigsters op relatief informele wijze gesloten. Deze huwelijken werden lang niet altijd officieel geregistreerd, vrouwen regelden soms zelf een ‘huwelijksvoogd’, en ze vroegen vaak slechts een symbolische gift als ‘bruidsschat’. Zoals gebruikelijk bij het proces van staatsvorming heeft IS na de vestiging van het kalifaat getracht meer greep te krijgen op huwelijkssluitingen en deze te formaliseren. Er werd bijvoorbeeld meer op toegezien dat huwelijken geregistreerd werden, moesten mannen toestemming van de leider van hun groep te hebben, werd er gecontroleerd of vrouwen wel de juiste huwelijksvoogd hadden, en werd getracht een minimumbruidsschat van $500 in te stellen.

Daarnaast viel ons iets anders op. De literatuur ziet de uitreizigsters veelal of uitsluitend als slachtoffers of als militante activisten, en doet dat voornamelijk op basis van hun publieke online activiteiten. Maar de vrouwen met wie wij hebben gechat pasten niet goed in die tweedeling. Deze vrouwen zijn niet uitsluitend slachtoffers, want ze hebben zelf, wellicht wat naïef en vaak met weinig kennis, de stap genomen om af te reizen (en kunnen zich vinden in het huwelijkssysteem). Maar degenen met wie wij hebben gechat ze zijn veelal ook geen militante activisten. Ze houden zich voornamelijk met de zorg voor man en kinderen bezig, en nemen weinig deel aan andere activiteiten. We laten zien dat er wellicht ook sprake is van een verschuiving door de tijd heen. De enige vrouw onder onze gesprekspartners die wel duidelijk activistisch was, reisde al af in 2013. Zij vond zelf degenen die na de vestiging van het kalifaat waren gekomen maar weinig actief, zij kwamen niet, zoals zijzelf voor de jihad,  maar alleen om in een ‘Islamitische staat’ te leven. Nogmaals, we doen hiermee geen uitspraak over de totale populatie uitreizigsters. Het kan heel goed zijn dat er ‘slachtoffers’ of ‘militante activisten’ onder hen zijn. We geven alleen aan dat de verhalen van een aantal vrouwen (die zich nu juist niet online profileren) niet in die categorieën past.

3. Twijfel aan de integriteit van het onderzoek vanwege vermeende uitlatingen en relaties van onze junior-onderzoekster 

Er is ons in de loop van het onderzoek niets gebleken van mogelijke vooringenomenheid van haar kant. Voor een verkennend onderzoek naar huwelijken van uitreizigsters is het een pre als onderzoekers bekend zijn met relevante netwerken en daar ook enige ingangen hebben. Zeker bij relatief onervaren fellows is het dan wel belangrijk dat zij voldoende distantie houden tot het onderzoeksmateriaal. Daar hebben wij als senior onderzoekers nadrukkelijk rekening mee gehouden. Wij hebben de onderzoeksvraag geformuleerd, richting gegeven aan het onderzoek, en het verloop van het onderzoek nauwkeurig bijgehouden. Daarbij is met name van belang dat wij zeer regelmatig het materiaal gezamenlijk bekeken en geanalyseerd hebben. Gedurende deze werkzaamheden gaf onze junior onderzoekster juist blijk van een kritische houding ten opzichte van het verzamelde materiaal.

In algemene zin geldt dat een bepaalde betrokkenheid van onderzoekers bij de onderzochte groep antropologisch onderzoek niet diskwalificeert. Er zijn talrijke voorbeelden van gevestigde antropologen die betrokken zij bij hun onderzoeksgroep of er zelf deel van uitmaken. Overigens is hier in ons onderzoek geen sprake van. Geen van de onderzoekers sympathiseert met de gewelddadige jihad. Ook onze junior onderzoekster heeft dit meerdere malen expliciet verklaard. We noemen overigens zelf dat er eerder contacten waren met vrouwen die later naar Syrië zijn vertrokken én we vermelden dat een aantal uitreizigsters niet wilde deelnemen, onder andere omdat wij er niet dezelfde overtuiging op na hielden als zij.

Wij wijzen er tevens op dat wij in onze eerdere reacties duidelijk hebben gemaakt geen uitspraken te doen over het priveleven van onze onderzoekers, zoals onder welke namen zij mogelijkerwijs online actief zijn. 

4. Werkwijze van de auteur / NRC

Aan een aantal van degenen wiens reactie is gevraagd is slechts een fictieve casus voorgelegd – zo bevestigt Kouwenhoven- niet de tekst van ons artikel. Zeker gezien de onjuiste wijze waarop onderwerp, methode en conclusie in de NRC zijn weergegeven is dat een handelswijze die niet past bij een kwaliteitskrant.

De NRC heeft eerder een artikel dat Kouwenhoven over ons onderzoek schreef (in juli 2016) niet geplaatst, omdat het onvoldoende nieuwswaarde zou hebben. Dat artikel was positief, gaf veel duidelijker de inhoud van onze publicatie weer, en Kouwenhoven noemde ons onderzoek toen nog ‘cool'. Dit wekt de indruk dat alleen een referentie aan cyberjihadisme het onderzoek nieuwswaardig maakt. 

Aysha Navest wordt nu geportretteerd in een drieluik over ‘Cyberjihadisten’, terwijl Kouwenhoven ervan op de hoogte is dat zij meerdere malen expliciet heeft verklaard de gewapende jihad niet te steunen. Dit zal ernstige consequenties voor haar hebben. Daarvoor is geen justificatie aangezien op geen enkele wijze is aangetoond, dan wel aannemelijk gemaakt dat het onderzoek in twijfel te trekken valt.

5. Wetenschappelijke discussie

Tenslotte zijn wij van mening dat een discussie over antropologische methoden, transparantie, in het bijzonder bij moeilijk toegankelijke groepen, vooringenomenheid, en meer in het algemeen de relatie onderzoekers en hun gesprekspartners, anonimiteit, en integriteit belangrijke onderwerpen van debat zijn. Wij gaan die discussie graag verder aan met het wetenschappelijke veld. 

Reflectie externe deskundigen

Om de wetenschappelijke discussie over de gebruikte methodologie in het onderzoek te stimuleren zal de UvA enkele externe deskundigen vragen om op deze casus te reflecteren.

Gepubliceerd door  UvA Persvoorlichting