De (vermeende) abortuscultuur van Roemenië

Antropoloog ontvangt Veni voor onderzoek naar denkbeelden rondom voortplanting

15 augustus 2012

Het aantal abortussen in Roemenië ligt fors hoger dan in andere Europese landen. Is er sprake van een abortuscultuur? Antropoloog Erica van der Sijpt ontving een Veni-subsidie voor een onderzoek hiernaar.

Het geboortecijfer van Roemenië is lager dan dat in veel andere Europese landen. Inmiddels gaan er stemmen op om het liberale abortusbeleid van het land in te perken, om de bevolkingskrimp tegen te gaan. Voor Erica van der Sijpt een mooie aanleiding om onderzoek te doen naar de (vermeende) abortuscultuur van Roemenië en de ontwikkeling in opvattingen rondom voortplanting, seksualiteit en onvruchtbaarheid. Zij ontving hiervoor een Veni van NWO van € 250.000.

Het onderzoek van Van der Sijpt is een vervolg op haar eerdere studie naar reproductieve keuzes in het Afrikaanse Kameroen. Aan de hand van dat onderzoek ontstond een mooi theoretisch raamwerk voor het analyseren van reproductieve keuzes, maar er ontbraken nog twee zaken, vond Van der Sijpt: het historische aspect en het politieke aspect. ‘In Kameroen is de staat eigenlijk nagenoeg afwezig. Er bestaat bijvoorbeeld wel een abortuswet, maar die heeft nauwelijks invloed. Ik wilde ook graag onderzoek doen in een land met een meer bewogen geschiedenis en veel invloed van de overheid, om te weten te komen in hoeverre die aspecten invloed uitoefenen op de keuzes en denkbeelden ten aanzien van voortplanting.’ Dat land werd Roemenië, met zijn zeer roemruchte geschiedenis en alom aanwezige overheidsbemoeienis.

U schrijft in uw onderzoeksvoorstel dat er op dit moment sprake lijkt van een abortuscultuur, die zijn wortels vindt in de afgelopen decennia. Hoe zit dat precies?
‘Abortus was in het precommunistische tijdperk, voor de komst van Ceaucescu, een vorm van anticonceptie, bij gebrek aan andere anticonceptiemiddelen. Denk aan het regelmatig reinigen van de baarmoeder om een mogelijke vrucht af te drijven, maar ook aan abortussen bij vrouwen die al verder waren in hun zwangerschap.’

Ceaucescu wilde daar onmiddellijk een einde aan maken.
‘Inderdaad, Roemenië moest in zijn ogen een grote sterke natie worden, de bevolking moest groeien in plaats van krimpen. En dus vaardigde hij in 1966 een streng verbod uit op nagenoeg alle vormen van abortus.’

Een lastig te handhaven verbod, want wie controleert dat?
‘Tussen 1966 en 1967 stegen de geboortecijfers, dus het verbod leek te werken. Maar daarna zette er een daling in; vrouwen grepen weer massaal naar abortus. Inderdaad, het was moeilijk om hierop controle uit te oefenen. Dat zag Ceaucescu ook in, en daarom scherpte hij het verbod in jaren ’80 nog wat aan. Alle vruchtbare vrouwen werkten bij staatsbedrijven. De artsen en gynaecologen die daar in dienst waren, kregen de opdracht om de vrouwen om de drie maanden te controleren. Bleken ze zwanger, dan moest de arts dat registreren en scherp in de gaten houden of de vrouw geen abortus zou plegen. Overigens werkten niet alle artsen hieraan mee. Er zijn genoeg verhalen van artsen die vrouwen zelf actief hielpen bij het beëindigen van de zwangerschap. Er waren ook artsen die de zwangerschap van ongewenst zwangere vrouwen bewust niet registreerden, zodat zij de kans kregen om alsnog een abortus te plegen.’

In 1989 kwam er een einde aan het dictatoriale regime van Ceaucescu en werd abortus gelegaliseerd. Met als gevolg een explosieve stijging van het abortuscijfer.
‘De nieuwe machthebbers achtten legalisering van abortus belangrijk om de enorm hoge moedersterfte als gevolg van ondeskundig uitgevoerde abortussen tegen te gaan. Tegelijkertijd werden tegenstanders van abortus op één lijn gesteld met communisten, en daar wilde niemand mee geassocieerd worden. Anticonceptiemiddelen waren nog altijd schaars, en dus grepen vrouwen terug op een “vertrouwde” en nu ook legale manier van zwangerschapsonderbreking: abortus. Non-gouvernementele organisaties hebben gezorgd voor de invoering van anticonceptiemiddelen. Met succes, maar het abortuscijfer is nog altijd hoger dan in de rest van Europa. Bijna iedere vrouw in Roemenië heeft in elk geval één abortus in haar leven ondergaan.’

En dus spreekt men van een abortuscultuur.
‘Inderdaad, de huidige machthebbers bedienen zich inmiddels ook weer van de retoriek van bevolkingsgroei, en het tegengaan van de krimp door maar veel kinderen te krijgen. Ook proberen ze het ondergaan van een abortus moeilijker te maken. Er ligt nu een voorstel om elke vrouw die een abortus wil, verplicht vijf dagen bedenktijd te geven. Ook wil men gedetailleerd beeldmateriaal van abortuspraktijken tonen aan vrouwen die hun zwangerschap willen laten beëindigen. Kortom: er is van alles aan de hand rondom dit onderwerp. Mijn vraag is: hoe denken de vrouwen zelf hierover? In hoeverre spelen de herinneringen van oma’s en moeders nog een rol in de beslissingen van jonge vrouwen nu? Is er daadwerkelijk sprake van een abortuscultuur, of zijn de denkbeelden van vrouwen ook aan veranderingen onderhevig? Weke opvattingen hebben vrouwen en mannen rondom seksualiteit? En wat te denken van vrouwen die graag zwanger willen worden, maar onvruchtbaar zijn? Hoe voelen zij zich?’

Hoe gaat u een en ander onderzoeken?
‘Door de levensverhalen van vrouwen van drie generaties op te tekenen en door middel van interviews met professionals zoals gynaecologen en abortusartsen, groepsdiscussies, gesprekken met partners van vrouwen et cetera.’

U houdt zich bezig met een vrij intiem en persoonlijk onderwerp. Hoe krijgt u uw gesprekspartners zo ver dat ze u in vertrouwen nemen?
‘Uiteraard spreek ik de taal – ik heb twee zomercursussen gevolgd en mijn vriend is Roemeens. Het vertrouwen krijgen van de gesprekspartners, en dan vooral van de vrouwen, kost tijd. Ik moet hun laten zien dat ik daadwerkelijk in hen geïnteresseerd ben en dat ik geen bijbedoelingen heb. Vanwege de repressieve geschiedenis hebben veel Roemenen een behoorlijk achterdochtige houding. Het zal daarom lastiger worden dan in Kameroen, maar ik heb er veel vertrouwen in.’

Het onderzoek van Van der Sijpt start in het najaar en neemt drie jaar in beslag.

Auteur: Esther van Bochove, FMG Communicatie

Gepubliceerd door  Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen