'Als je een beetje goed bent in je vak vind je wel werk.'

Veldarcheoloog Johan Verspay, Archeologie en prehistorie (2007)

Interview met Johan Verspay

Johan Verspay studeerde in 2007 af op het onderwerp ‘Brabantse platteland in de late Middeleeuwen en de vroege nieuwe tijd.' Al tijdens zijn studie werkte hij zo nu en dan voor het AAC (Amsterdam Archeologisch Centrum). Nu is hij als vaste veldarcheoloog in dienst van dit instituut. Op dit moment zet hij zijn afstudeeronderzoek voort in de Oerlese bodem waarbij ook overblijfselen van nederzetting uit de Romeinse tijd werden aangetroffen. Er wordt hier ook een veldpracticum gegeven voor de eerstejaars studenten Archeologie en prehistorie.

'Niet iedereen heeft dezelfde motivatie om archeologie te gaan studeren. Er zijn mensen die al heel goed weten welke richting ze op willen, bijvoorbeeld de Romeinse archeologie. Anderen vinden archeologie het eerste interessante dat ze tegenkomen in de studiegids. De studie staat immers onder de "A". Tijdens zo'n veldpracticum wordt al snel duidelijk wie er geschikt is voor het veldwerk. Er zijn eerstejaars die zelf sporen kunnen ontdekken en interpreteren. Zij hebben bijvoorbeeld als vrijwilliger al wat ervaring opgedaan bij bijvoorbeeld de AWN, de Archeologische Werkgroep Nederland. Maar anderen weten niet eens hoe ze een schep moeten vasthouden. Gelukkig is archeologie veel breder dan enkel "opgraven".

Ik hield me van kinds af aan al bezig met archeologie. Ik bezocht opgravingen, ging op zoek naar muntjes met een metaaldetector en ging op den duur meegraven. Zo werkte ik op mijn zestiende een hele zomer mee aan een opgraving in Someren. Dat is doorslaggevend geweest voor mijn studiekeuze. Ondanks dat het me op de middelbare school werd afgeraden - ik zou er geen werk in vinden - heb ik dus nooit getwijfeld over mijn studiekeuze. Ik ging naar de Universiteit van Amsterdam omdat ik vooral geïnteresseerd was in de Middeleeuwen en dat kun je, net zoals Mediterrane archeologie, uitsluitend aan de UvA bestuderen.
Tijdens de veldcursus in het eerste studiejaar raakte ik in gesprek met mensen van het AAC/ Projectenbureau (Amsterdams Archeologisch Centrum). Zij vertelden me dat ze nog wel wat hulp konden gebruiken. Direct na die eerste veldcursus heb ik een hele zomer met het projectenbureau meegewerkt aan een opgraving. In eerste instantie was dat op vrijwillige basis, maar toen ik een beetje bedreven raakte, kreeg ik een dagvergoeding. Het werd een bijbaantje en uiteindelijk werd het ‘gewoon' mijn werk.

Na afronding van mijn bachelor, koos ik voor een praktijkgerichte afstudeerrichting (het mastertraject Archeologische monumentenzorg, red). Als onderdeel daarvan heb ik een half jaar stage gelopen bij het projectenbureau. Je wordt dan meegenomen in het gehele archeologische proces: van het opstellen van offertes en het schrijven van rapporten tot praktische opgravingen en denken over strategieën. En dat beviel goed.

Je zou kunnen zeggen dat ik bij het projectenbureau ben blijven "hangen", maar het is wel iets wat ik wilde. Het voelt goed: ik werk graag met mijn collega's en ik vind het werk leuk. Bovendien kan ik mijn "onderzoeks-ei" erin kwijt. Bij het AAC zijn er een aantal onderzoeksregio's waar al langer door ons instituut onderzoek wordt gedaan waardoor er meer kennis is over het gebied. Ik zit in het team dat zich concentreert op Zuid-Oost Brabant. Exotische oorden hebben me nooit zo getrokken. Liever houd ik het bij de vaderlandse archeologie en Noordwest-Europa. Ik hoef niet persé naar de jungle of de woestijn om daar iets ouds uit de grond te trekken.
Dat wil niet zeggen dat ik alleen maar mijn schep in de Brabantse grond steek. Eind vorig jaar heb ik meegewerkt aan de opgraving van een Romeinse stad in Voorburg. Ik vind dat net zo leuk om te doen, alleen ik weet wat minder van de achtergronden. Maar het werk zelf, in het veld, blijft onverminderd leuk. Je bent lekker buiten bezig, zorgen dat alles loopt, dat je je onderzoek kan doen. Je moet altijd improviseren omdat het nooit zo gaat als gepland. En dat maakt het leuk.
Voorlopig zit ik goed bij het AAC. Een tijdje geleden had ik de leiding over dit project. Dat vond ik een uitdaging, maar ik merkte dat ik toch meer van de details ben dan van de grote lijnen. Ik had al wat ervaring opgedaan als putbaas waarbij je de leiding hebt over een graafput. In de toekomst zie ik mezelf ook als ‘putbaas-plus', zeg maar. Mensen aansturen en denken over strategieën, methodes en uitvoering vind ik hartstikke leuk. Maar ik wil mezelf niet te snel uit het veld promoveren. De fysieke arbeid vind ik lekker en het is prettig om zeggenschap te hebben en te kunnen sturen, maar de organisatie, planning en het financiële gedeelte vind ik minder interessant.

Er is nog nooit zoveel geld geweest voor archeologisch onderzoek en er zijn nog nooit zoveel vindplaatsen onderzocht als op dit moment. Dus voorlopig kan elke afgestudeerde archeoloog die wat kán en wil, werk vinden. Bovendien kun je verschillende kanten op na je opleiding, dus je hoeft niet persé te willen graven. Mijn studiegenoten die het veldwerk niet echt zagen zitten, zijn beleidsmaker geworden of kwamen terecht bij monumentenzorg. Ook werken ze bij een archeologisch bureau maar dan bijvoorbeeld als materiaalspecialist waarbij je je verdiept in leer of aardewerk. Over het algemeen is het zo dat als je een beetje goed bent in je vak je wel werk vindt.'

Gepubliceerd door  Faculteit der Geesteswetenschappen

23 oktober 2012