Dr. Martijn Egas: Sociaal gedrag om te overleven
Gemeenschapsgevoel bij mijten
‘Spintmijten maken een web, voornamelijk om zich te beschermen tegen rovers zoals roofmijten. Dit web is een voorbeeld van een gemeenschappelijk product. Individuen werken samen, maar hebben tegelijkertijd de mogelijkheid om wel de voordelen te genieten van de gezamenlijke weg, maar hoeven er zelf niet in te investeren. We weten al dat het web dat ze produceren enkel bestaat uit eiwitten; basisvoedsel dat ook gebruikt wordt om bijvoorbeeld nakomelingen te maken. Als spintmijten dus meer investeren in web, kunnen ze minder investeren in nakomelingen en andersom. Momenteel zijn we aan het inventariseren welke verschillende beslissingen spintmijten nemen voor de investeringen in web cq. nakomelingen. En hoe dat uit kan pakken voor het elementaire conflict tussen het eigenbelang en het groepsbelang.’
Samenwerkende mensen
‘Ook bij mensen onderzoek ik hoe het proces van samenwerken en groepsgedrag verloopt. Hierover bestaan heel veel theorieën, ontwikkeld door onder andere economen en evolutiebiologen. Wij toetsen deze theorieën, waarbij we vaak gebruik maken van spelopzet. Een simpel voorbeeld is het gedrag bij de aanschaf van gemeenschappelijke goederen. Denk bijvoorbeeld aan een dorp waarvan de inwoners geld bijeen moeten leggen voor de bouw van een school. Iedere inwoner bepaalt zelf welke bedrag hij doneert. Vragen die dan interessant zijn om te onderzoeken: Draagt iedereen evenveel bij? Is er verschil als de schenkingen anoniem gebeuren? Krijgt iemand die weinig doneert een slechte reputatie en hoe beïnvloedtdat een volgende openbare samenwerking? Ook hebben we onderzocht of mensen meer schenken als ze door de groep gestraft kunnen worden voor een te lage schenking. En dit werd inderdaad bevestigd; dus straffen werkt - maar alleen als de straf hoog genoeg is.’
Eerlijk delen
‘Ondanks dit soort onderzoeken is het voorspellen van het gedrag van een groep mensen nog heel lastig. De bestaande theorieën, die voornamelijk uitgaan van persoonlijke voor- en nadelen en niet van normen van gedrag die binnen groepen kunnen ontstaan, blijken vaak niet het juiste resultaat te voorspellen. Een voorbeeld hiervan levert het ultimatumspel. In dit spel mogen twee personen een geldbedrag verdelen, laten we zeggen e100,- waarbij de eerste persoon een bod moet doen aan de tweede persoon. Als de tweede persoon het bod weigert krijgen ze allebei niets. Volgens de theorie van de economen en evolutiebiologen handelt iedere persoon uit eigenbelang. Dus zou de eerste persoon een zo laag mogelijk bod doen en de tweede zou zelfs een bedrag van één cent nog accepteren, want dat is immers beter dan niks. Maar in werkelijkheid doet de eerste persoon een bod van e50,- of iets minder. Want redeneert hij: hoe lager het aanbod des te kleiner de kans dat de ander het accepteert. Een bod onder de e25,- wordt inderdaad meestal niet geaccepteerd. De bestaande theorie klopt dus niet. Bij het vaststellen en accepteren van het bod houden beide personen wel degelijk rekening met het gedrag van de ander.Uitsterven door egoïstisch gedrag?
‘Wij vroegen ons af of we dit gedrag evolutionair konden verklaren. Ons vermoeden was dat groepen met dit altruïstische gedrag betere overlevingskansen hadden en dat groepen met teveel egoïstische individuen zijn uitgestorven. Veel evolutiebiologen vinden dat selectie op basis van individueel gedrag belangrijker is geweest dan selectie op basis van groepsgedrag. Zelf denk ik echter dat het gedrag van de groep ook een belangrijke plaats inneemt. Bij testen waarbij verschillende groepen het tegen elkaar moesten opnemen, bleek samenwerking binnen de groep vóór het eigenbelang te gaan. Pas toen er twee groepen overbleven gingen mensen weer meer aan zichzelf denken. Mijn onderzoek wijst dus in de richting dat altruïsme in groepen wel degelijk belangrijk is geweest in de evolutie.’Nieuwsgierig
‘Ik ben er niet op uit om heel nauwkeurig te beschrijven hoe mensen zich in het dagelijks leven gedragen. Dat is veel te complex. Maar ik wil er wel achter komen welke factoren de grootste invloed hebben. Het onderzoek levert natuurlijk niet altijd op wat ik van tevoren verwacht. Maar onverwachte dingen in je onderzoek zijn juist interessant, die geven aan waar ons inzicht nog tekort schiet. Als ik een experiment opzet ben ik ontzettend nieuwsgierig naar de uitkomst. Danbegin ik meteen met het verwerken van de meetresultaten
in grafieken, ook al is nog niet alles binnen.’
