Marjan Sjerps: De waarschijnlijkheid van een verdachte

Marjan Sjerps werkt op het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) in Den Haag. Ze adviseert onderzoekers van het NFI en soms ook juristen over de waarde van bewijsmateriaal en leert agenten wat ‘waarschijnlijkheid’ betekent. Bovendien adviseert Sjerps de onderzoeksafdelingen van het NFI hoe ze het beste hun onderzoek kunnen opzetten. Tussen al deze activiteiten door onderzoekt ze ook nog hoe je bewijsmateriaal op waarde kunt schatten. Een functie met een hoog CSI-gehalte?
Marjan Sjerps

Marjan Sjerps

Criminele Engelsen

‘Stel er is een inbraak gepleegd en de dader heeft daarbij een ruitje ingeslagen. Het forensische onderzoeksteam vindt een druppel bloed op de ruit. Zou het van de dader zijn? Ze sturen een bloedmonster naar het laboratorium waar er een DNA-profiel van gemaakt wordt. Ieder mens, behalve een eeneiige tweeling, heeft uniek DNA-materiaal. Iemands hele DNA beschrijven is ontzettend veel werk. Daarom kijken ze in het lab naar tien punten in het DNA, tien verschillende ‘markers’. Aangezien iedereen kenmerken meekrijgt van beide ouders, bevat iedere marker twee pieken (zie figuur 1). Dit alles samen vormt het DNA-profiel. Als er een vermoedelijke dader is, kunnen we het profiel uit de bloeddruppel daarmee vergelijken. Als er geen verdachte is dan vergelijken we het profiel met een databank vol profielen van criminelen. In Nederland staan ongeveer 17.000 misdadigers in dat archief. In Engeland zijn dat er wel drie miljoen. Het is niet zo dat Engelsen allemaal zo crimineel zijn. Daar kom je voor iedere overtreding in de databank, een keer door rood rijden is al
voldoende. Bij ons kom je er pas in bij een misdaad waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan.

Daderprofiel

‘Met behulp van kansrekening kunnen we kijken hoe vaak een DNA-profiel bij mensen voorkomt. Of het dus waarschijnlijk is dat er meerdere personen met het profiel van de vermoedelijke dader rondlopen. Hoe schoner het sample dat je vindt, hoe beter je het DNA eruit kunt halen. Het kan bijvoorbeeld zijn dat bacteriën al wat DNA hebben opgegeten. Dan is er slechts een kleiner stukje over en vind je geen volledig profiel. Het monster kan ook nog vervuild
zijn met andere DNA-sporen. Dit komt bijvoorbeeld vaak voor in verkrachtingszaken. Bij een volledig en onvervuild profiel van de dader is de kans dat een onschuldige verdachte per toeval hetzelfde profiel heeft kleiner dan één op een miljard. Vinden we slechts een gedeeltelijk profiel, dan wordt deze kans een stuk groter.’

‘Stel dat het profiel dat we vinden zo vervuild is dat de kans één op 10.000 is dat een willekeurig gekozen persoon er aan voldoet. Als ons gevonden profiel blijkt te matchen met dat van de mogelijke dader dan heeft het een likelihood ratio (een maat voor de bewijskracht) van één op 10.000. We kunnen dit profiel ook nog vergelijken met de Nederlandse databank. Dan verwacht je dus dat daaruit ook nog wel een verdachte volgt. Ga je met deze 'databankdader’ naar de rechtbank, en je zegt: de likelihood ratio bij deze verdachte is één op 10.000, dan denkt de rechter misschien wel: die heeft het gedaan. Alleen naar de
likelihood ratio kijken is dus niet genoeg. Je moet niet alleen naar het DNA kijken, maar ook rekening houden met al het andere bewijs dat de politie vindt. Ik bedacht dus, samen met professor Ronald Meester van de Vrije Universiteit, dat de deskundige de rechter moet vertellen dat hij de likelihood ratio nog moet vermenigvuldigen met de a-priori-kans. Dat is de kans dat de verdachte het gedaan heeft op basis van al het andere bewijs. Als er verder geen enkel bewijs tegen degene uit de database is, wordt de kans dat hij de dader is vrij klein.

Schoensporen

‘Binnen het instituut houd ik me vaak bezig met het interpreteren van data. Collega’s moeten bijvoorbeeld de karakteristieke kenmerken van een schoenzool noteren: kleine slijtages, deukjes, scheurtjes, een steentje erin, enzovoorts. Vervolgens kunnen ze die vergelijken met een gevonden afdruk, een schoenspoor. Ik help de onderzoekers met het formuleren van hun conclusie over de waarschijnlijkheid dat de schoen het spoor maakte. Ik ben betrokken bij een project om zoveel mogelijk het subjectieve element uit deze beoordeling te halen.’

Plaats delict

‘Het leukst aan mijn functie vind ik de veelzijdigheid. Het ene moment help ik bij onderzoek naar glasscherven, dan weer bij gebruikte werktuigen, schoensporen, vingersporen of DNA. Mijn collega’s hebben de meest uiteenlopende achtergronden. Het zijn chemici, technici en biologen, en ik heb ook te maken met politieagenten en juristen. Wanneer ik de kans krijg mee te lopen op de plaats van een misdrijf of een onderzoekstechniek te zien dan doe ik dat natuurlijk.
Het is heel leuk om mee te maken. Maar het is niet zo als in de tv-serie CSI dat iemand én in het lab staat én de plaats delict onderzoekt én de verhoren doet. Ik vind het wél goed dat ze in CSI de wetenschap eindelijk eens leuk aan de man brengen. Want dat is het ook echt!’

Gepubliceerd door  Faculteit Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica

28 augustus 2012