Ik ga elke dag met veel plezier naar mijn werk bij de Raad voor de Kinderbescherming
Interview met Tessa de Bot, alumna Forensische orthopedagogiek
'Als er een melding binnen komt over een kind, stelt de Raad een onderzoek in. Dat kan het geval zijn wanneer een jongere verdacht wordt van het plegen van een delict, wanneer er signalen zijn dat het thuis niet goed gaat of wanneer er sprake lijkt te zijn van een langdurige (vechtscheiding)strijd tussen ouders.'
Ik ga als afgestudeerd forensisch orthopedagoog elke dag met veel plezier naar mijn werk bij de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad). Ik haal veel energie uit het idee dat ik een bijdrage lever aan het helpen van kinderen die in hun ontwikkeling worden bedreigd, bijvoorbeeld doordat ze in een onveilige gezinsituatie opgroeien.
Ik werk sinds 1 januari 2014 bij de Raad in Breda en één dag in de week in Middelburg. Als er een melding binnen komt over een kind, stelt de Raad een onderzoek in. Dat kan het geval zijn wanneer een jongere verdacht wordt van het plegen van een delict, wanneer er signalen zijn dat het thuis niet goed gaat of wanneer er sprake lijkt te zijn van een langdurige (vechtscheiding)strijd tussen ouders. Ik word door de raadsonderzoeker, die de uitvoerder is van een raadsonderzoek, geconsulteerd om mee te denken en te beslissen over wat essentieel is om te onderzoeken en om uiteindelijk een advies aan de rechter te kunnen geven. Het kind staat binnen elk onderzoek centraal. De vraag is dan ook hoe de ontwikkelingsbedreiging van het kind weggenomen kan worden en of dit binnen een vrijwillig of gedwongen kader noodzakelijk is. Een adviserende rol heb ik binnen strafzaken, civiele zaken (ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen) en gezag en omgangszaken. Nadat binnen het raadsonderzoek ouders, kinderen en andere belangrijke informanten zijn gesproken, is het mijn taak als gedragsdeskundige om vanuit mijn expertise de juiste vragen te stellen aan de raadsonderzoeker en om de casus middels een helikopterview te analyseren. Samen met de raadsonderzoeker (en in sommige gevallen ook een jurist) komen we dan tot een weloverwogen advies.
Voordat ik bij de Raad kwam werken, heb ik er negen maanden stage gelopen op locatie Amsterdam. Dat is wat langer dan de verplichte zes maanden vanuit de opleiding, maar veel stage-instellingen vragen dat je je voor wat langere tijd vastlegt. Zes maanden is ook erg kort; het duurt wel even voordat je weet wat er allemaal bij het werk komt kijken en de taken onder de knie hebt. Bovendien kost het tijd om je diagnostiekaantekening te halen, iets wat veel studenten (zo ook ik) graag willen. Doordat ik negen maanden bij de Raad heb mogen rondlopen, konden zij mijn capaciteiten goed inschatten. Uiteindelijk heb ik er dus een erg leuke baan aan over gehouden.
Wat betreft de masteropleiding, kan ik me nog herinneren dat je tot en met december alleen maar vakken hebt. Het waren er best veel, maar ik vond het wel heel erg toegespitst op wat ik vervolgens in mijn stage ging doen. De vakken werden gegeven door inspirerende en deskundige mensen, die goed kunnen vertellen over hun vakgebied of specialisatie. Wat ik ook heel fijn vond, waren de gastcolleges, waar niet alleen wetenschappers spraken maar je ook interessante dingen uit de praktijk te horen kreeg.
Hoewel ik het erg naar mijn zin heb bij de Raad voor de Kinderbescherming, ben ik meer bezig met praten over en niet praten met kinderen en jongeren. Uiteindelijk zou ik wel graag de GZ-opleiding willen doen, om me meer te kunnen richten op behandeling en diagnostiek van jongeren. Maar voor nu wil ik nog wel wat jaren ervaring blijven opdoen en me verder specialiseren bij de Raad.
