Onderzoek

Gepubliceerd op 15 januari 2010

Onderzoek uitgelicht: moleculair bioloog Frans Klis

Foto: Bob Bronshoff.

Frans Klis verontschuldigt zich als hij een powerpointpresentatie opent om foto's over zijn onderzoek te laten zien. ‘De vieze plaatjes zullen we maar even overslaan', zegt hij, als foto's van een wit uitgeslagen tong, rode babybilletjes en hevig aangetaste vingernagels over het beeld rollen. Allemaal schimmelinfecties van met name Candida albicans, onderwerp van Klis' onderzoek. Met de ziektebeelden heeft hij niet veel: Klis is geïnteresseerd in de eiwitmantels die deze schimmels met zich meedragen. Hij is op zoek naar een eiwitonderdeel, dat andere onderzoekers als doelwit kunnen gebruiken bij de ontwikkeling van een vaccin tegen de schimmel.

Als bioloog begon Klis zijn loopbaan met onderzoek aan celwandenzymen bij planten. Later stapte hij over op algen, weer later op gist. Daarvandaan was het nog maar een kleine stap naar andere schimmels, zoals Candida, waar hij nu veel aan werkt. Een groot voordeel van deze laatste: ‘Er is een medische kant aan het verhaal van Candida. Dat maakt het makkelijker geld voor het onderzoek bij elkaar te krijgen.' Verder is er verrassend genoeg weinig onderscheid tussen gewone bakkersgist en de schimmel. Klis: ‘Morfologisch gezien zijn ze nauwelijks te onderscheiden.'

Kolonie bestaande uit gistvormige cellen (boven) en een die zichzelf heeft vastgehecht met hyfen (onder).

Gistvormig of hyfaal

Wel verschillend zijn de levenswijzen. Candida is volledig aangepast aan het leven in en op warmbloedige dieren, vertelt Klis, waaronder de mens. De schimmel veroorzaakt onder meer huidinfecties, maar voelt zich ook goed thuis op slijmvliezen in bijvoorbeeld de vagina of de mond. Een ander belangrijk verschil: Candida komt voor in de bekende ‘gistvorm' - eencellige ronde bolletjes van enkele micrometers - maar ook in een hyfale vorm, waarbij de schimmel lange, draadachtige uitlopers vormt.

Om dat te illustreren toont Klis foto's van een experiment met schimmelkolonies in petrischalen. ‘Aan de agar in de petrischalen is een dierlijk slijmvlieseiwit toegevoegd: daarmee bootsen we slijmvliezen na', vertelt hij. De ene petrischaal heeft een neutrale pH van 7, vergelijkbaar met de zuurgraad in de mond, de andere heeft een pH van 4, vergelijkbaar met het milieu in de vagina. Op beide groeien de schimmelkolonies zo te zien prima.

Maar na een wasstap met een straaltje water, toont Klis, laten de platen een ander beeld zien. De zure agarplaat is schoon, terwijl op de pH-neutrale plaat de schimmelkolonie is blijven zitten. Dat is het verschil tussen een kolonie bestaande uit gistvormige cellen en een die zichzelf heeft vastgehecht met hyfen, verklaart Klis. Precies zoals het in het menselijk lichaam ook kan gebeuren.

In zijn onderzoek gebruikt Klis nog een aantal trucs om hyfengroei te induceren, zoals de temperatuur verhogen tot 37 graden of het CO2-gehalte verhogen tot 5 procent. ‘Eigenlijk allemaal manieren om de omstandigheden na te bootsen zoals ze ook voorkomen in het menselijk lichaam.'

Foto: Bob Bronshoff.

Oppervlakte eiwitten

Candida heeft nog een aantal bijzondere trucs tot zijn beschikking om zich te kunnen handhaven op plekken waar hij niet thuishoort. Zoals op de tong, waar Candida zich muurvast kan hechten aan de epitheelcellen, vertelt Klis. Die cellen houden indringers buiten door eiwitten op hun oppervlak met elkaar te laten vernetten, zodat bijvoorbeeld bacteriën er niet doorheen kunnen dringen. Candida heeft op zijn eigen oppervlak echter een eiwit dat sterk lijkt op het substraat van dit vernettingssysteem. In aanwezigheid van Candida binden de epitheelcellen dus niet met elkaar, maar met Candida, die dan niet meer te verwijderen is.

De schimmel beschikt over tientallen van deze verschillende oppervlakte-eiwitten, vertelt Klis; ze vormen het voornaamste onderwerp van zijn onderzoek. Onder de microscoop zijn ze  zichtbaar als een soort harige mantel, gebonden aan de celwand. De eiwitten zijn cruciaal in de interactie met de gastheer en zorgen bijvoorbeeld voor adhesie. Andere zijn weer betrokken bij de afweer van chemische aanvallen door het lichaam. Klis laat een plaatje zien van een witte bloedcel die schimmels in gistvorm opneemt. Op de volgende foto zijn de schimmelcellen overgeschakeld op hyfale groei en groeien de uitlopers aan alle kanten de bloedcel uit.

Vaccin tegen schimmels

Welke eiwitten vóórkomen op de eiwitmantel en in welke verhoudingen, is afhankelijk van de vorm - gist of hyfaal - en de omstandigheden waaronder de schimmel groeit. Klis en zijn groep hebben inmiddels alle twintig tot dertig eiwitten op de mantel van Candida geïdentificeerd en gekarakteriseerd. Ook de onderdelen van die eiwitten, peptiden, hebben ze nauwkeurig in kaart gebracht.

Hiermee hopen ze bij te dragen aan de bestrijding van de schimmel. Daarvoor zijn nu al wel geneesmiddelen op de markt, zoals het bekende tubetje tegen huidinfecties, vertelt Klis. Deze zogeheten azolen werken echter niet altijd even goed en zijn niet effectief tegen alle vormen van Candida. Daarom zijn wetenschappers al tien jaar op zoek naar een vaccin tegen de schimmel. Dat moet het lichaam in staat stellen de schimmel te herkennen om hem vervolgens zelf uit de weg te ruimen. En die herkenning, vertelt Klis, zal gericht moeten zijn op de manteleiwitten.

Hij vertelt hoe een andere onderzoeksgroep eens jarenlang werkte aan een peptide afkomstig uit een manteleiwit van Candida, op basis waarvan zelfs al een specifiek vaccin was ontwikkeld. ‘Toen hebben ze gevaccineerde muizen geïnfecteerd met Candida. Maar vervolgens gingen de muizen nog steeds dood aan de infectie. Het vaccin bleek alleen te werken tegen de gistvorm, de hyfale vorm werd gewoon niet herkend.'

Een ideaal vaccin moet dus gebaseerd zijn op een peptide dat zowel voorkomt in manteleiwitten van de gistvorm als van de hyfale vorm, vervolgt Klis. Daarbij verschillen binnen die beide vormen de eiwitsamenstellingen ook nog eens aanzienlijk. Klis hoopt dus één peptide te vinden dat voorkomt in alle verschijningsvormen van de schimmel, of een combinatie van peptiden afkomstig uit verschillende eiwitten. ‘Afgelopen jaar hebben we met een internationaal consortium de complete genoomsequentie van Candida gepubliceerd. Wij hebben de celwandgenen bekeken en drie families celwandeiwitten geïdentificeerd die echt uniek zijn voor infectieuze Candida-soorten. Ze komen dus niet voor bij andere Candida's en gist. Waarschijnlijk zijn die eiwitten dus betrokken bij het infectieproces; mogelijk zijn ze dus ook geschikt voor een vaccin.'

Met behulp van rekenprogramma's heeft Klis een aantal peptiden geselecteerd die kandidaat zijn voor vaccins, die hij nu onder verschillende condities aan het testen is. Zijn groep werkt in een internationaal samenwerkingsverband, waarin ook een bedrijfje uit Aberdeen zit dat op basis van een geschikt peptide een marktklaar vaccin kan ontwikkelen. Of er binnen tien jaar een vaccin ligt? ‘Dat weet ik niet. Maar kansrijk zijn we zeker.'

Auteur(s)


Bron: Communicatie FNWI
|