Promotie Uitgelicht: Jesse Veenvliet

13 oktober 2014

Op 31 oktober promoveert Jesse Veenvliet (1983) aan de UvA. Tijdens zijn promotieonderzoek aan het Swammerdam Institute for Life Sciences (SILS) onderzocht hij de eigenschappen van dopamineneuronen. Deze kennis biedt aanknopingspunten voor behandeling van de ziekte van Parkinson.

Jesse Veenvliet Promotie Uitgelicht

Jesse Veenvliet. Foto: UvA

Wat heb je onderzocht? 

‘Ik heb de substantia nigra bekeken, dit is een hersengebied in het midbrein. Daar zitten neuronen die dopamine produceren. Via uitlopers van de neuronen wordt dopamine naar de hersenkernen gebracht die betrokken zijn bij het uitvoeren van bewegingen. Bij de ziekte van Parkinson degenereren de neuronen in dit hersengebied; ze sterven af. Het dopaminetekort dat hierdoor ontstaat, veroorzaakt onder meer trillen en stijfheid. Naast de substantia nigra zit het ventrale tegmentale gebied (VTA). Ook dit bevat dopamine-producerende neuronen. Opvallend is dat deze neuronen ongevoelig zijn voor degeneratie. Waarschijnlijk ontwikkelen ze zich in de baarmoeder al anders. Om te achterhalen waarin de neuronen van elkaar verschillen, heb ik de vroege vorming van deze neuronen bestudeerd.’ 

Hoe heb je dat gedaan?

‘Bij muizenembryo’s onderzocht ik met de micro-array profiling techniek het genenpakket van beide typen neuronen. Deze methode gooit korte RNA-sequenties als het ware op een chip en bekijkt vervolgens de hoeveelheid RNA. Hoe meer RNA aanwezig is, hoe harder het gen aanstaat. Dat betekent dat het meer invloed heeft. We vonden zo ongeveer 300 genen die aanstaan in de substantia nigra-neuronen en uitstaan in de VTA-neuronen. Dat ze in de substantia nigra aanstaan, betekent dat ze mogelijk betrokken zijn bij de gevoeligheid van deze neuronen om af te sterven, of juist hiertegen beschermen. Inderdaad vonden we dat 77 van deze genen bij Parkinsonpatiënten minder hard aanstaan. Dat is een extra signaal dat ze betrokken zijn bij het ziekteproces.’ 

Wat kun je met deze kennis? 

‘Hoe meer je weet van hoe de neuronen in de substantia nigra in elkaar zitten, hoe beter je ze kunt namaken. Dit kan door middel van stamceltherapie. Hierbij maak je nieuwe cellen die de afgestorven cellen kunnen vervangen. Deze techniek is nog niet veilig. De nagemaakte neuronen zijn nog geen perfecte kopie van de neuronen in de hersenen. Hierdoor kunnen bij terugplaatsing in het brein ernstige bijwerkingen ontstaan, zoals tumoren. Er zijn ook medicijnen tegen de ziekte van Parkinson, maar die zijn meestal symptoombestrijding. Bovendien hebben ze veel bijwerkingen. Zo kunnen ze mogelijk psychotische stoornissen veroorzaken.’ 

Verliep je promotietijd zoals je had verwacht? 

‘Niet helemaal. In het begin had ik best veel overmoed. Ik vond laatst een to do-lijstje dat ik had gemaakt toen ik met mijn onderzoek begon, met zes dingen die ik het eerste half jaar wilde doen. Uiteindelijk ben ik in mijn hele PhD-periode tot punt drie gekomen. Maar ik heb wel tien andere dingen gedaan. Gelukkig liet mijn promotor Marten Smidt me zo vrij dat dit kon. Ik merkte tijdens mijn promotietijd dat ik de bioinformatica en statistiek achter het onderzoek erg interessant vind. In mijn postdoc in Berlijn, waar ik net mee ben begonnen, speelt bioinformatica daarom een grote rol. Ik onderzoek nu hoe tijdens de vroege embryonale ontwikkeling wordt bepaald welk weefsel zich wanneer ontwikkelt. Hiervoor gebruik ik RNA-Seq, een geavanceerde opvolger van de micro-array techniek. De grote data-sets die je hiermee genereert, vergen grondige analyse met bioinformatica. Dat vind ik enorm fascinerend.’ 

 

Auteur: Carin Röst

Gepubliceerd door  Faculteit Natuurwetenschappen, Wiskunde en Informatica