Promotie Uitgelicht: Peter Demaeght
Op 23 januari promoveert Peter Demaeght (1984) aan de UvA. Tijdens zijn promotieonderzoek aan het Instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica (IBED) onderzocht hij hoe de bonenspintmijt resistent wordt tegen bepaalde soorten bestrijdingsmiddelen. Met deze kennis kunnen mijtenplagen uiteindelijk beter worden tegengegaan.
Je hebt spintmijten onderzocht, wat zijn dat?
‘Het zijn spinachtige diertjes van ongeveer een halve millimeter groot. Ze komen over de hele wereld voor en vormen een schadelijke plaag in veel verschillende gewassen, waaronder economisch belangrijke planten zoals soja, maïs en katoen. De mijten zuigen de celinhoud van de bladeren op waardoor ze verdorren. De economische schade door mijten is enorm. Er bestaan wel bestrijdingsmiddelen, zoals acariciden, die de populatie van mijten kunnen remmen. Het grootste probleem met spintmijten is dat ze door hun korte levenscyclus en grote vruchtbaarheid zeer snel resistentie ontwikkelen tegen nieuwe middelen, waardoor deze minder effect hebben. Ik wilde weten hoe deze resistentie in de bonenspintmijt tot stand komt.’
Hoe heb je dat onderzocht?
‘In het lab heb ik bonenspintmijten die resistent zijn tegen het bestrijdingsmiddel etoxazool gekruist met niet-resistente mijten. Zo wilde ik achterhalen hoe etoxazool werkt. Met een genetische techniek heb ik de plaats in het genoom gevonden waar de resistentiefactor zich bevindt. De resistentie tegen etoxazool blijkt te worden veroorzaakt door een mutatie in één gen, namelijk het chitine synthase. Ik heb vervolgens dezelfde techniek toegepast op mijtenpopulaties die resistent waren tegen twee andere bestrijdingsmiddelen. Deze resistenties bleken zich ook op het chitine synthase gen te bevinden. De mutatie die de resistentie veroorzaakt, blijkt overal ter wereld voor te komen. Nu kunnen we de informatie van mijn werk gebruiken om populaties te screenen.’
Wat doen de bestrijdingsmiddelen precies?
‘Ze zorgen ervoor dat de stof chitine niet meer goed kan worden aangemaakt. Dit doen ze door het chitine synthase eiwit uit te schakelen. De mijt is hierdoor niet meer in staat een volledig exoskelet aan te maken en sterft tijdens zijn vervelling. De puntmutatie zorgt ervoor dat het chitine synthase eiwit niet meer wordt aangetast door het bestrijdingsmiddel. De mijt kan zijn exoskelet blijven aanmaken en heeft geen last van het bestrijdingsmiddel. Dat we dit nog niet eerder hebben ontdekt, komt mede doordat we het volledige genenpakket van de spintmijt pas sinds 2011 kennen. Ik heb geprobeerd om die genomische informatie maximaal te benutten, onder meer door de locatie in het genoom te bepalen van resistenties.’
Je werkte aan de Universiteit Gent en promoveert aan de UvA?
‘Ik heb mijn onderzoek volledig aan de Universiteit Gent gedaan. Mijn promotor, Thomas van Leeuwen, was vroeger verbonden aan de Universiteit van Gent maar werkt momenteel aan de UvA. Daarom promoveer ik in Amsterdam. Nu zou ik graag verder willen in het onderzoek. Wetenschap vond ik altijd al enorm interessant, vandaar dat ik ben gaan promoveren. Wat me aan dit onderzoek enorm aansprak, is de belangrijke bijdrage aan de maatschappij. Mijtenplagen vormen een steeds groter probleem, mede door de opwarming van de aarde. Mijten houden van droog en warm weer. Hoewel ze in onze streken voornamelijk in kassen problematisch zijn, zou dat binnenkort wel eens kunnen veranderen. Hoe meer we weten over de resistentiemechanismen van de mijten, hoe beter we ze kunnen bestrijden.'
