Promotie Uitgelicht: Hanneke Brust
Op 25 juni promoveert Hanneke Brust (1986) aan de UvA. Tijdens haar promotieonderzoek aan het van ’t Hoff Institute for Molecular Sciences (HIMS) maakte ze chemische profielen van explosieven. Hiermee kan beter worden onderzocht of er een relatie is tussen explosieven die zijn aangetroffen op een plaats delict en bij een verdachte thuis.
Wat heb je gedaan?
‘Ik heb verschillende soorten explosieven scheikundig ontleed. Het gaat om explosieven die worden gevonden op een plaats delict, zoals een plofkraak. Als de explosieve stof uit hetzelfde materiaal bestaat als stoffen die bij een verdachte wordt gevonden, kun je een link leggen tussen beide. Ik heb vier stoffen waar explosieven vaak van worden gemaakt, gedetailleerd bekeken. Dit zijn afgekort HMTD, AN, PETN en TNT. Met verschillende soorten analysetechnieken, met massaspectrometrie als detectiemethode, heb ik van explosievenmonsters de gehaltes van onzuiverheden, degradatieproducten en isotopen bepaald. Elk explosief bevat andere hoeveelheden hiervan. Dit komt bijvoorbeeld doordat verschillende syntheseroutes of condities zijn gebruikt. Door deze variatie te bekijken, kon ik chemische profielen van explosieven maken die karakteristiek zijn voor de herkomst van het explosief. Dat is nog niet eerder op deze schaal gedaan.’
Kun je met deze chemische profielen zaken oplossen?
‘Nee, maar dat is ook niet de taak van forensische experts. Wij kijken naar de overeenkomsten in de chemische profielen. Zo proberen we te achterhalen of een explosief van een plaats delict en een explosief dat is gevonden bij een verdachte dezelfde herkomst hebben. Vervolgens is het aan de rechter om een verdachte als dader aan te wijzen. Je kunt op twee manieren een link leggen tussen het explosief en een verdachte. Als het explosief nog intact is, kijken we naar de onzuiverheden en isotoopratio’s in de stoffen. Is het explosief geëxplodeerd, dan kijken we naar stoffen die tijdens de explosie ontstaan, de degradatieproducten. Ze kunnen ook ontstaan door natuurlijke degradatie. Door te kijken naar de verhoudingen van deze degradatieproducten als deze zijn aangetroffen op kleding van een verdachte, kun je onderzoeken of de verdachte erbij was tijdens de explosie.’
Was je werk CSI-achtig?
‘Niet echt. Ik ben nooit op een plaats delict geweest. Ik deed mijn werk in het lab. Aan de andere kant is CSI niet erg realistisch. Al het onderzoek door één persoon gedaan. In werkelijkheid zijn er allerlei verschillende personen bij betrokken. De politie onderzoekt de plaats delict, een andere expert bekijkt in het laboratorium het DNA, weer een ander onderzoekt in een lab de explosieven, enzovoorts. Het onderzoek duurt ook geen dag zoals in CSI, maar een paar weken.’
Hoe ben je in de forensische wetenschap beland?
‘Ik kom uit de scheikundige hoek. Aan de Universiteit Utrecht heb ik mijn bachelor Scheikunde gedaan. Hierna wilde ik graag toegepast onderzoek doen met een duidelijke maatschappelijke link. Daarom sprak de master Forensic Science aan de UvA me enorm aan. Tijdens mijn stage vroeg mijn begeleider, Peter Schoenmakers, of ik bij hem aan deze promotieplek wilde beginnen. Ik wil graag verder in de analytische chemie. Dat hoeft niet per se in de forensische hoek te zijn. Het liefst zou ik in het bedrijfsleven werken. Als ik maar kan onderzoeken hoe iets in elkaar zit.’
Auteur: Carin Röst
