Genoeconomics: hoe genen economisch gedrag beïnvloeden
Philipp Koellinger is net begonnen aan de UvA, als hoogleraar Ondernemerschap en Innovatie op de Amsterdam Business School. De Duitse wetenschapper is ook een autoriteit op het gebied van genoeconomics, het interdisciplinaire vakgebied dat onderzoekt hoe genen economisch gedrag beïnvloeden.
Aan de UvA wil Koellinger zijn genenonderzoek voortzetten met een nieuwe gezamenlijke onderzoeksgroep met zijn voormalige collega’s van de Erasmus Universiteit Rotterdam.
Dat hét ondernemersgen niet bestaat, is inmiddels wel duidelijk. Voor gedrag zijn niet enkele genen of mutaties aan te wijzen zoals dat kan bij oogkleur of bepaalde erfelijke ziekten. Gedrag is veel complexer en wordt beïnvloed door talloze kleine genetische varianten, SNP’s genoemd (van single neocleotide polymorphisms, uitgesproken als [snips]). SNP’s kunnen bij ieder mens verschillen en maken ons uniek, qua uiterlijk, aanleg en temperament. De invloed van genetische varianten op menselijk gedrag gaat om een optelsom van vele minuscule invloeden van talloze individuele SNP’s.
Omvang onderzoekspopulaties
Koellinger zoekt bijvoorbeeld naar het verband tussen genetische varianten en ondernemerschap. Koellinger: “Ondernemers hebben hele specifieke eigenschappen, waarmee ze zich onderscheiden van andere mensen. Dit heeft invloed op hun gedrag, ze komen tot andere beslissingen. Het zou interessant zijn te ontdekken welke SNP’s hierbij een rol spelen. Dit is wel de trend ja, dat economie zich steeds meer openstelt voor andere wetenschappen zoals psychologie en zelfs biologie.” De genetische varianten, de SNP’s, die ondernemers met elkaar gemeen hebben en die ze onderscheidt van niet-ondernemers, zijn nog niet gevonden. Volgens Koellinger komt dit doordat tot op heden de onderzoekspopulaties te klein waren. Er zijn nog niet voldoende databases met genetisch materiaal (bloed of speeksel) van voldoende ondernemers om solide resultaten te kunnen opleveren.
Publicatie in Science
Het eerste succesvolle onderzoek naar een verband tussen genetische varianten en gedrag, in dit geval uitgedrukt in scholingsgraad, besloeg 126.559 individuen. Dankzij een internationale samenwerking, het Social Science Genetic Association Consortium, hadden de wetenschappers toegang tot geschikte databases over de hele wereld. Koellinger is een van de oprichters van dit consortium. Van de onderzochte personen waren gegevens bekend over hun onderwijshistorie: hoeveel jaar onderwijs er was gevolgd en of er sprake was van afgerond hoger onderwijs. Koellinger: “Het onderzoek leverde 3 SNP’s op die invloed blijken te hebben. De gezamenlijke invloed van de 2,5 miljoen onderzochte SNP’s is heel klein, in totaal 2 tot 3 procent, dus per SNP is dat helemaal minimaal. Maar het was de allereerste keer dat specifieke genetische markers aantoonbaar effect lieten zien op zoiets gecompliceerds als scholingsgraad, wat toch vooral afhankelijk is van omgevingsfactoren.” De resultaten waren spectaculair genoeg voor publicatie in ‘s werelds meest gezaghebbende wetenschappelijke tijdschrift Science, met Koellinger als een van de leidende auteurs. “We verwachten dat er bij een nog veel grotere onderzoekspopulatie nog veel meer SNP’s zullen oppoppen die invloed hebben,” aldus Koellinger. Hij verwacht dat de daadwerkelijke invloed van genen op scholing zo’n 40 procent is, gebaseerd op onderzoeken naar tweelingen.
Eerste benchmark
Volgens Koellinger is zijn onderzoek om meerdere redenen waardevol: “Inzicht in hoe de genen werken, maakt het op den duur ook mogelijk beter te begrijpen hoe de omgeving zoiets als scholingsgraad beïnvloedt. Dit kan bijvoorbeeld nuttig zijn bij het evalueren van onderwijshervormingen. Ook is er een verband tussen scholing en gezondheidsverwachtingen en krijgt genetisch onderzoek naar scholing misschien voorspellende waarde voor gezondheidsverwachtingen van een populatie. Zo is er een verband tussen scholingsgraad en kansen op dementie of hart- en vaatziekten, of obesitas. Maar dat is nog toekomstmuziek. Op dit moment is de grootste waarde van ons onderzoek dat we voor de eerste keer een benchmark hebben welke orde van grootte je kunt verwachten bij een plausibel verband tussen genetische varianten en gedrag. Eerder varieerden schattingen van de invloed van individuele SNP’s van 0 tot 10 procent. Die extremen blijken beide helemaal fout.”
Gezondere keuzes
Koellinger is zich bewust van de gevoeligheid rondom genetisch onderzoek. “Hoe meer we begrijpen wat genen doen, hoe gevoeliger het is wie er toegang heeft tot die informatie. Het is de meest persoonlijke informatie die we hebben. Maar op individueel niveau kan het heel waardevol zijn. Zo vind ik het fascinerend dat ons onderzoek misschien ooit mismatches op de arbeidsmarkt kan voorkomen. Stel dat iemand genetisch volledig geschikt is om ondernemer te worden, maar kiest voor een baan als kantoorklerk. Dat kan ook consequenties hebben op gezondheidsgebied. Misschien leidt het wel tot depressie. Het kan voor mensen heel fijn zijn om hun genetische aanleg te kennen. Zodat ze de juiste keuzes kunnen maken.”
