Multinationals en kleine boeren: complexiteit van marktgerichte armoedebestrijding

14 november 2013

Hoogleraar Ans Kolk van de Universiteit van Amsterdam Business School is heel helder: “Ik ben een wetenschapper, maar ik hecht ook veel waarde aan de interactie met de praktijk en het bijdragen van onderzoeksinzichten over concrete maatschappelijke problemen.”

Om die reden nam Kolk in 2002 als onafhankelijk deskundige zitting in het bestuur van de Douwe Egberts (DE) Foundation. Deze stichting werd door toenmalig DE-moederbedrijf Sara Lee opgezet als reactie op grote internationale campagnes die koffie direct koppelden aan armoede en met de beschuldigende vinger wezen naar de grote internationale koffiebedrijven. Kolk: “DE bestond 250 jaar en actievoerders voerden campagne onder het motto ‘Douwe Egberts is jarig. Toch is het geen feest’. Want nadat het vaste koffieprijzenregime in 1989 was losgelaten, daalden de prijzen en nam de armoede onder de kleine koffieboeren toe. Armoede in ontwikkelingslanden werd gevisualiseerd met koffie en koffiebedrijven werden er direct op aangesproken.”

Duurzame koffie als norm 

De protesten van onder andere Oxfam Novib hadden succes. De koffiemultinationals streven er nu, ruim tien jaar later, grotendeels naar dat duurzame koffie de norm wordt. Kolk heeft de koffiesector door de jaren heen gevolgd. Ze onderzocht bijvoorbeeld de valkuilen van het op grote schaal produceren van duurzame koffie en van de verschillende duurzaamheidskeurmerken (zoals Max Havelaar/Fair Trade, Utz en Rainforest Alliance). En hoe wel kan worden ingegrepen in de koffieketen. Kolk: “Ik vind het als wetenschapper mijn taak om op een onpartijdige manier bij te dragen aan inzicht in de complexiteit van de koffiemarkt. Zodat duidelijk wordt wat wel en wat niet werkt bij het stimuleren van de productie van duurzame koffie. Zo’n 70% van de koffieproductie komt van kleine boeren dus ze zijn essentieel voor voldoende aanvoer. En lokale productie is van groot belang voor het bestrijden van armoede, ook voor hun families en gemeenschappen.”

Hoge kosten certificering 

Kolk deed ook onderzoek naar de projecten van de stichting. “De DE Foundation is een aantal hele lastige projecten gestart, die ons veel leren over hoe moeilijk het is voor kleine boeren om hun koffie gecertificeerd te krijgen. Voor grote plantages, zoals je die veel hebt in Brazilië, is dat eenvoudiger. Het is duidelijk dat iedereen duurzame koffie wil, maar de vraag is dan meteen: hoe ga je dat vaststellen en organiseren? Als je certificaten op korte termijn verplicht gaat stellen, zoals sommige organisaties willen, druk je heel veel kleine boeren uit de markt. Vooral uit Afrika. Voor hen zijn de kosten die ze daarvoor moeten maken, niet op te brengen. Dus dat kan nooit de bedoeling zijn.” Die kosten bestaan bijvoorbeeld uit het sturen van controleurs naar de afgelegen gebieden en uit arbeidsintensieve interne controlesystemen.

Kleine boeren op wereldmarkt 

DE Foundation-projecten in onder andere Vietnam, Uganda, Honduras, Kameroen en Colombia hadden duidelijk doelstellingen: kleine koffieboeren toegang bieden tot de wereldmarkt met kwalitatief betere en bij voorkeur gecertificeerde koffie, wat een hogere prijs oplevert. Betere landbouwmethoden vergroten de opbrengst van de beschikbare grond en ontlasten het milieu. Dit draagt allemaal bij aan mogelijkheden om ook de woon- en leefomstandigheden verder te verbeteren. Met projectfinanciering werden de boeren geschoold, gestimuleerd om kennis te delen, en leerden ze door het bijhouden van logboeken (farmer field books) wat wel en niet werkt. Door zich beter te organiseren, konden boeren tussenhandelaren omzeilen en betere prijzen onderhandelen.

Rol voor overheden 

Het lijken kleine maar goede stappen op weg naar een oplossing van het zeer complexe probleem van de koffieketen, waarbij kleine boeren in ontwikkelingslanden op duurzame wijze produceren voor de wereldmarkt. Kolk: “Een recent onderzoek heeft getoond dat vooral training leidt tot verbetering van de situatie van de boeren en niet zozeer de certificering. Maar je kunt niet overal projecten opzetten die dit financieren, daar is niet voldoende geld voor. Dus er zullen andere wegen moeten worden gevonden om te stimuleren dat ontwikkelingslanden die kennis bundelen, bijvoorbeeld via een soort landbouwkundige dienst en dat je probeert dit naar een landelijk niveau te tillen. Met het organiseren van inspecties op grotere schaal in een gemeenschappelijke aanpak wordt productie van duurzame koffie door kleine boeren wellicht wel mogelijk. Je kunt er eigenlijk niet omheen dat overheden hierin betrokken moeten worden. Maar ja, dat is toch het grote probleem van het bestrijden van armoede: de armste landen hebben vaak de meest fragiele overheid.”