Prestige van exacte vakken schrikt veel meisjes af
Wat is toch het probleem met meisjes en wiskunde? Ondanks vele inspanningen om meisjes enthousiaster te maken voor bètastudies zijn ze nog steeds ver in de minderheid op technische universiteiten en bij exacte studies.
Veel onderzoeken laten zien dat dit niet kan worden toegeschreven aan een verschil in aanleg voor exacte vakken. Is het mogelijk dat juist het aanzien van wiskunde en natuurwetenschappen meisjes afschrikt omdat ze minder van competitie houden? Uit laboratoriumexperimenten blijkt keer op keer dat mannen twee keer zo competitief zijn als vrouwen. Nu blijkt dat dit ook rond 15-jarige leeftijd al zo is.
Studieprofielen
Op het vwo moeten scholieren kiezen uit vier studieprofielen. En hoewel scholen dit niet zo communiceren, blijken de meeste scholieren het erover eens dat er een verschil is in moeilijkheid en aanzien tussen de vier profielen. Dat verschil is gebaseerd op de hoeveelheid wis- en natuurkunde in het pakket. Thomas Buser, assistant-professor aan de Amsterdam School of Economics, ontdekte samen met UvA-collega Hessel Oosterbeek en Muriel Niederle van Stanford University dat competitieve scholieren veel vaker het meest prestigieuze Natuur en Techniek-profiel kiezen dan anderen, ongeacht hun aanleg. Natuur en Techniek bereidt scholieren voor op een universitaire bètastudie. Het verschil in competitiviteit verklaart 23% van het verschil tussen jongens en meisjes in de profielkeuzes.
Buser legt uit dat er nog steeds veel onbekend is over de beroepskeuze van mensen: “Economen begrijpen nog steeds niet precies hoe mensen tot dit besluit komen terwijl het een hele belangrijke keuze is, ook voor de economie. De gekozen carrière is een voorspeller van het inkomen dat iemand later kan gaan verdienen.” De keuze van het profiel aan het eind van het derde jaar van het vwo is vanuit carrièreperspectief een hele belangrijke. Het profiel bepaalt welke universitaire studierichtingen na het vwo bereikbaar zijn en het blijkt dat studenten vaak bij de als profiel gekozen richting blijven. De vier profielen, in volgorde van het meest tot het minst prestigieus zijn Natuur en Techniek, Natuur en Gezondheid, Economie en Maatschappij en als laatste Cultuur en Maatschappij.
Competitiviteit
Buser: “Wij wilden de aanleg voor competitiviteit meten tijdens een spelsituatie en vervolgens kijken of dit een voorspelbare waarde heeft voor keuzes die mensen maken in het echte leven, bijvoorbeeld voor hun carrière.” Allereerst deden de onderzoekers een experiment met bijna 400 leerlingen van vier scholen om te bepalen wie competitief was. Dat waren de scholieren die in de derde ronde van het experiment kozen voor een alles-of-niets-wedstrijd in plaats van een beloningssysteem waarbij elk juist antwoord een vaste, lagere, beloning opleverde. In de eerdere rondes werden de vaardigheden van de studenten getoetst en verrassend genoeg was er nauwelijks een verband tussen vaardigheden en de keuze tussen de wedstrijd of de gegarandeerde beloning voor elk juist antwoord. Dit gold zowel voor de jongens als voor de meisjes. Buser: “We zagen ook dat jongens twee keer zo vaak meedoen aan een wedstrijd, zelfs als dat niet de juiste keuze voor hen is, gebaseerd op hun capaciteiten. Ze lijken meer van competitie te houden en daarnaast overschatten ze zichzelf vaker. Meisjes gaan eerder een wedstrijd uit de weg, zelfs als dat hun grootste kans is op een maximale beloning.”
Een aantal maanden na het experiment kwamen de onderzoekers terug op de scholen, nadat de betreffende scholieren hun profielen hadden gekozen. Buser: “Zoals we al hadden verwacht, vonden we een vrij sterke relatie tussen competitiviteit en de profielkeuze. Over het algemeen kozen de scholieren die tijdens het experiment voor de alles-of-niets-wedstrijd hadden gekozen de moeilijkere profielen, zowel bij de jongens als bij de meisjes. En net zoals je op universiteiten ziet, kiezen veel minder meisjes dan jongens het meest prestigieuze bètaprofiel. Wat ons vooral interesseerde was of we statistisch een aanzienlijk deel van het verschil in de seksen konden verklaren met de competitiviteit-variabele. En dat is ons gelukt: 20-25% van het verschil tussen wat jongens kiezen en wat meisjes kiezen, kan worden verklaard door het verschil in competitiviteit.”
Vervolgonderzoek
Het onderzoek roept voldoende vragen op voor vervolgonderzoek. Buser: “Is competitiviteit biologisch, evolutionair of juist sociaal bepaald? Of beiden, wat vrij waarschijnlijk is. Kan het in een bepaalde mate worden gemanipuleerd en zou dat de keuzes die mensen maken, veranderen? En hoe beïnvloeden verschillende omgevingen competitiviteit? Dat is wat we nu als eerste gaan doen: een vervolgstudie met deze scholieren. We willen ze blijven volgen om te zien hoe het met ze gaat. Slagen ze? Welke cijfers halen ze? Wat gaan ze studeren aan de universiteit?”
“Als competitiviteit vooral cultureel wordt bepaald, misschien moeten we dan iets veranderen in ons opvoedingssysteem zodat meisjes minder worden aangemoedigd om aardig te zijn en jongens minder om competitief te zijn. Of als het echt om een aangeboren persoonlijke eigenschap blijkt te gaan, dan kan het een oplossing zijn om bepaalde studies en beroepen minder competitief te maken. Misschien gaan de meest getalenteerde mensen nu bepaalde beroepen of carrières uit de weg waar ze heel goed in zouden zijn, zoals bijvoorbeeld de politiek, omdat ze niet van competitie houden. Dat kan heel kostbaar zijn, wanneer je als samenleving op die manier getalenteerde mensen misloopt,” aldus Buser.
