Kleinere schoolklas leidt later tot hoger inkomen

13 maart 2014

Een klassenverkleining van 25 naar 20 scholieren levert de leerlingen gemiddeld ruim drie procent meer loon op als ze tussen de 27 en 42 jaar zijn. Dit blijkt uit een grootschalig onderzoek gebaseerd op gegevens uit diverse Zweedse databronnen en registers.

Hetzelfde onderzoek bevestigt bevindingen uit andere onderzoeken dat kinderen uit kleinere basisschoolklassen in hun tienerjaren beter scoren op cognitieve en andere persoonlijke vaardigheden. Ook bereiken ze gemiddeld een hoger onderwijsniveau. Hessel Oosterbeek, hoogleraar onderwijseconomie aan de  Amsterdam School of Economics, deed het onderzoek met Zweedse collega’s Peter Fredriksson en Björn Öckert. 

Oosterbeek: “Er is al heel veel onderzoek gedaan naar de effecten van klassenverkleining op de korte termijn; door economen, door psychologen, door onderwijskundigen. De meeste studies vinden wel een positief effect van klassenverkleining op de leeropbrengst. Voor het eerst hebben wij nu kunnen aantonen dat de positieve effecten niet wegebben. De effecten op de lange termijn zijn bijna net zo sterk als de effecten op de korte en middellange termijn.” De extra verdiensten zijn dusdanig groot dat ze de extra kosten ruimschoots overtreffen. Zo zijn er bijvoorbeeld meer leraren en klaslokalen nodig. Per saldo komt het rendement op lange termijn, rekening houdend met het feit dat de langetermijnopbrengst nog vele jaren op zich laat wachten, uit op een kleine 20%. 

Het onderzoek is uitgevoerd op basis van Zweedse gegevens en richt zich op klassenverkleining in de hoogste drie klassen van het basisonderwijs. Oosterbeek: “Je kunt niet willekeurig kleine en grote klassen met elkaar gaan vergelijken. Dan spelen allemaal andere invloeden mee. Misschien kiezen scholen ervoor lastige kinderen bij elkaar te plaatsen in kleinere klassen. Of kleinere klassen kunnen oververtegenwoordigd zijn in de betere wijken of ouders betalen meer geld om hun kinderen naar een school te laten gaan met kleinere klassen. In zo’n geval kun je geen conclusies trekken over het effect van kleinere klassen.” In de Verenigde Staten heeft de staat Tennessee het groots aangepakt met het STAR-project, een onderzoek waarin 12.000 scholieren op 80 scholen aselect zijn verdeeld over klassen van 15 of 22 leerlingen. Dit experiment is echter nog te jong om lange termijn conclusies te kunnen trekken. 

Zweden kent de maximale klassengrootteregel, die wetenschappers een mooie kans biedt om betrouwbaar onderzoek doen. “Een klas van 31 leerlingen wordt meestal gesplitst. Dat bootst als het ware een experiment na, want toeval bepaalt of kinderen in een grote of kleine klas komen. Een schooldistrict met 31 leerlingen verschilt immers niet fundamenteel van een district met 30 leerlingen,” zegt Oosterbeek. Daar komt bij dat in Zweden uitgebreide bevolkingsstatistieken worden bijhouden, ook over inkomens, zelfs in combinatie met die van de ouders, en veel leerlingen worden op 13-, 16- en 18-jarige leeftijd uitgebreid getest op verschillende vaardigheden. Het leverde dus unieke informatie op die weinig ruimte laat voor tegenstanders van kleinere klassen. Zo bleek dat de kleinere klassen in Zweden gemiddeld minder ervaren leerkrachten hadden. Oosterbeek: “Bij klassenverkleining moet je meestal nieuwe en daardoor vaak minder ervaren leerkrachten aantrekken. Dit benadrukt dat onze conclusies niet het gevolg waren van de kwaliteit van de leerkrachten.” 

Op basis van het onderzoek kan Oosterbeek niet aangeven of er ook een minimaal wenselijke klassengrootte bestaat. “We hadden te weinig klassen met minder dan 15 leerlingen om daar uitspraken over te kunnen doen. We hebben ons vooral gericht op klassen met 20 tot 30 leerlingen en het lijkt erop dat binnen die marge geldt: hoe kleiner, hoe beter.” Het onderzoek wordt inmiddels al meegenomen in het onderwijsbeleid. Oosterbeek: “Het is in de Tweede Kamer opgepikt. Zo heeft D66 de argumentatie gebruikt in het laatste begrotingsakkoord.”