Genoeconomics-expert Philipp Koellinger: UvA loopt voorop met interdisciplinair onderzoek
Philippe Koellinger, expert op het gebied van genoeconomics, gedragseconomie en ondernemerschap, is sinds ruim een jaar hoogleraar Ondernemerschap en Innovatie aan de Amsterdam Business School (ABS). Hij heeft zich onder meer ten doel gesteld het interdisciplinaire vakgebied genoeconomics binnen de UvA uit te breiden en te verankeren. Hoe staat het er nu voor?
'De grootste wetenschappelijke en technologische doorbraken gebeuren vaak op het snijvlak tussen verschillende disciplines; ze zijn zelden het gevolg van marginale verbeteringen op één gebied. Als verschillende disciplines samenkomen, kunnen totaal nieuwe dingen ontstaan,’ verklaart de Duitse wetenschapper in zijn kantoor op de ABS. Koellinger haalt het voorbeeld van het internet aan, ontstaan uit een samenwerking van Amerikaanse militaire wetenschappers en computer experts.
Hoewel steeds meer wetenschappers inzien hoe belangrijk het is om open te staan voor de visie van andere disciplines op ontwikkelingen in ‘hun’ vakgebied, zijn de meeste universiteiten nog monodisciplinair georganiseerd, aldus de 39-jarige hoogleraar. Sinds hij in 2006 aan de Humboldt-Universiteit in Berlin op economie en managementwetenschappen promoveerde, heeft Koellinger onder meer bij New York University, de Universität Wien, de Ludwig-Maximilians-Universität München en het Research Institute of Industrial Economics in Stockholm een kijkje in de keuken genomen. De UvA zit volgens hem al jaren in de kopgroep wat betreft interdisciplinaire programma’s – voor hem een belangrijke reden om eind 2013 de Erasmus Universiteit Rotterdam voor de UvA te verruilen.
Onderontwikkeld onderzoeksgebied
Koellinger beschouwt genoeconomics als een uniek en relatief onontgonnen onderzoeksgebied met een enorm potentieel. ‘Als we – op termijn – meer te weten komen over onze genetische architectuur en nog meer kleine genetische varianten ontdekken, kunnen we een soort gereedschapskist ontwikkelen. Sociologen, psychologen en economen kunnen hiermee beter inzicht krijgen in het effect van veranderingen in de omgeving op het menselijk gedrag. Dat kan ze helpen hun werk beter te doen.’ Zo zou onderzoek inzicht kunnen bieden in het verband tussen gezondheid en opleiding: zijn mensen die langer onderwijs hebben genoten relatief gezond doordat ze meer kennis tot zich hebben genomen, of bestaan er genetische factoren die van invloed zijn op zowel gezondheid als op het leervermogen? Koellinger: ‘Je wilt weten hoe het zit, ongeacht de uitkomst. Het is hoe dan ook relevant.’
Genoeconomics onderzoek is dermate complex dat het simpelweg onmogelijk is zonder de input van sociale wetenschappers en onderzoekers op biologisch en medisch vlak, stelt Koellinger. Niet voor niets wordt in de nieuwe onderzoeksgroep bij de UvA nauw samengewerkt met veel van zijn oud-collega’s en promovendi van de Erasmus.
De noodzaak om over extreem grote databases met genetische informatie te beschikken is een andere reden dat onderzoeksinstituten niet om samenwerking heen kunnen als ze echt vooruitgang willen boeken. Om die reden stond Koellinger mede aan de wieg van het in 2011 opgerichte Social Science Genetic Association Consortium (SSGAC). In deze coöperatieve organisatie bundelen medische onderzoekers en sociale wetenschappers hun krachten en geven ze wetenschappers toegang tot databases met genetische informatie afkomstig uit alle hoeken van de wereld. Koellinger is nog steeds een van de belangrijkste onderzoekers.
Explosie van genetische data
Het SSGAC coördineert onder meer genoresearch waarin een verband wordt gelegd met gedragswetenschappen. Ook dient het consortium als platform voor interdisciplinaire samenwerking en kruisbestuiving. Cruciaal, vindt Koellinger, vooral vanwege de explosie van genetische data de komende vijf tot tien jaar: het aantal genetische scans groeit en de kosten blijven dalen. Aandacht voor bescherming van privacy is daarom essentieel, benadrukt hij: ‘We moeten mensen vertellen wat we met hun gegevens doen, zij moeten het begrijpen en ze moeten expliciet toestemming geven.’
Ook zijn strenge standaarden nodig met betrekking tot het verzamelen, de opslag van en de toegang tot deze zeer persoonlijke gegevens om te garanderen dat deze alleen worden gebruikt voor erkend onderzoek en om misbruik te voorkomen. Een andere grote uitdaging op het vlak van gedragswetenschappelijk genoresearch is volgens Koellinger gelegen in de onderzoeksopzet; een gebrekkige opzet kan tot foute en misleidende conclusies leiden. Hij roept daarom op tot een publiek debat om beter voorbereid te zijn op een toekomst waarin genetische informatie veel breder verspreid is dan nu. Zo’n debat is onmisbaar, stelt hij, niet alleen om scenario’s te identificeren die voorkomen dienen te worden maar ook om draagvlak voor dergelijk onderzoek te behouden.
Koellinger probeert zijn genoeconomics-activiteiten aan te laten sluiten bij de bestaande onderzoekszwaartepunten Behavioural Economics en Brain and Cognition van de UvA. Hij wil binnen de UvA een sterk genoeconomics onderzoeksprofiel met internationale allure creëren, dat binnenlandse en buitenlandse studenten en wetenschappers van topniveau aantrekt. Stellig: ‘We kunnen een verschil maken op dit vlak. Het SSGAC heeft zijn stempel al gedrukt.’
Financiering en toepasbaarheid
Dat gaat niet zonder slag of stoot. Koellinger besteedt circa 10% van zijn tijd aan het zoeken naar financiering – onderzoeksbeurzen van instellingen als de NWO, de Europese onderzoeksraad en de Amerikaanse National Science Foundation – om zijn onderzoeksgroep verder uit te breiden. Geldschieters moeten geduld hebben: het gaat om fundamenteel onderzoek dat in eerste instantie niet gericht is op (commerciële) toepassing. Hoewel het goed mogelijk is dat op termijn meer praktisch toepasbare ontdekkingen worden gedaan, laat Koellinger zich daar niet op vastleggen. Daarvoor is het onderzoek volgens hem in een veel te pril stadium.
In een van zijn andere expertisegebieden valt binnenkort wel zeer toepasbaar onderzoek te verwachten. Komend voorjaar maakt de hoogleraar Ondernemerschap en Innovatie de resultaten bekend van een onderzoek naar de betrouwbaarheid van empirische literatuur over ondernemerschap. Zijn onderzoeksgroep heeft 1.000 willekeurig gekozen artikelen uit Engelstalige ondernemerschapspublicaties tegen het licht gehouden. Koellinger: ‘Als we ontdekken dat de onderzoeksresultaten robuust en betrouwbaar zijn, betekent dat dat het werk in het veld in orde is. Maar als we het tegendeel constateren, zou dit betekenen dat de wetenschap haar werk beter moet doen. Mocht dat het geval zijn, dan komen we met onderzoeksrichtlijnen.’
