Nieuwe solvabiliteitseisen voor verzekeraars schipperen tussen heldere waardering en de praktijk

14 april 2015

De nieuwe solvabiliteitseisen voor verzekeraars vormen een moeizaam compromis tussen marktwaardering en uitvoerbaarheid, stelt UvA-professor Roger Laeven. Toch noemt Laeven Solvency 2 een sterke verbetering.

Vanaf 1 januari 2016 moeten verzekeraars uit Europese lidstaten voldoen aan het nieuwe kader voor het meten van hun solvabiliteit, bekend als Solvency 2. Na vele jaren bakkeleien tussen toezichthouders, politiek en de verzekeringssector zijn de contouren eindelijk helder. Zoals al langer bij de balanswaardering gebruikelijk is, wordt marktwaardering ook als basis genomen bij de solvabiliteitseisen van verzekeraars. 

Professor Risk and Insurance Roger Laeven van de Amsterdam School of Economics van de UvA maakt het proces van nabij mee. Hij neemt als wetenschappelijk adviseur deel aan discussies hierover bij de toezichthouders en politiek in zowel Nederland als Europa. 

Laeven spreekt van een valse start bij het formuleren van de doelstellingen van Solvency 2 in 2000. ‘Er werd als uitgangspunt genomen dat verzekeraars al hun bezittingen en verplichtingen volledig op marktwaarde moesten waarderen. Dat bleek om begrijpelijke redenen niet haalbaar. Niet toevallig is bij het verder ontwikkelen van Solvency 2 weer enigszins van marktwaardering afgestapt.’ Al met al vindt Laeven het nieuwe toezichtskader positief. ‘Tot op heden werd de solvabiliteit vooral gemeten op basis van het volume van verkochte producten. In de toekomst gelden hoofdzakelijk risicogebaseerde solvabiliteitseisen. Dat is een sterke verbetering.’ 

Verzekeringsverplichtingen waarderen

Een van de heikele punten bij het meten van de solvabiliteit is tegen welke rente verzekeraars hun verzekeringsverplichtingen moeten waarderen. Verzekeraars gaan uiteenlopende uitkeringsverplichtingen aan, die in het geval van bijvoorbeeld levensverzekeringen soms meer dan veertig jaar in de toekomst liggen. De vraag is daarbij hoeveel geld verzekeraars vandaag in kas moeten hebben om een bepaalde uitkering over veertig jaar te kunnen doen. Het is evident dat dit bedrag lager is dan de toekomstige uitkering, omdat er over al die jaren rendement op de ingelegde premies wordt gemaakt. Maar hoeveel lager mag dit bedrag precies zijn? Mogen verzekeraars rekenen met het rendement dat ze over die veertig jaar verwachten te maken of is het beter als ze een vast fictief rendement kiezen? Of moeten ze uit prudentie kiezen voor het laagste, maar altijd haalbare rendement? 

Laeven is hier stellig over. ‘Verzekeraars geven aan hun verzekerden harde garanties af. Bij zo’n garantie hoort in principe dat je rekent met een rendement dat altijd haalbaar is, het risicovrije rendement. Dat rendement wordt afgeleid uit de zogenoemde swaprente waarop geen defaultrisico zit. Deze rente ligt lager dan die op staatsobligaties en zeker lager dan wat op de lange termijn op aandelen wordt verdiend.’ Aangezien verzekeraars niet in de swaprente maar in obligaties en aandelen beleggen, betekent dit dat ze met een lagere rente zouden moeten rekenen dan ze in werkelijkheid mogelijk verdienen, erkent Laeven. Dit drukt de solvabiliteit, of andersom geredeneerd: wanneer verzekeraars met de risicovrije rente rekenen, moeten ze hun verzekerden meer premie laten betalen dan achteraf wellicht nodig was. 

De makers van Solvency 2 zijn hierom met een reeks van handreikingen gekomen. ‘De nieuwe eisen geven verzekeraars de mogelijkheid om voor bepaalde portefeuilles met een hogere rente te rekenen’, zegt Laeven. ‘Dat is toegestaan wanneer er tegenover een bepaald pakket langlopende verplichtingen beleggingen worden gezet met een gelijke looptijd, zoals staatsobligaties of bedrijfsobligaties. Het rekenen met een iets hogere rente dan de risicovrije rente is gunstig voor de solvabiliteit van verzekeraars.’ 

Volgens Laeven zijn aan een dergelijke wijze van waarderen wel risico’s verbonden. ‘Het is denkbaar dat er wanbetaling op de obligaties is, of dat de verplichtingen zich anders ontwikkelen dan verwacht waardoor de aansluiting op de obligatieportefeuille wegvalt. De werkelijke solvabiliteit kan dan lager blijken te liggen dan de gemeten solvabiliteit. In de ideale wereld wil je om die reden niet van de risicovrije rente afstappen, omdat je wilt dat een verzekeraar altijd solvabel kan worden afgewikkeld of overgedragen.’ 

Maar de praktijk van het verzekeren vereist dergelijke oplossingen. ‘Zonder een dergelijke handreiking kunnen verzekeraars geen langlopende levenproducten verkopen. Die producten zijn echter welvaartsverhogend en er is behoefte aan. Ik kan dus met de gekozen oplossing leven, mits deze met veel zekerheden is omgeven. Ik noemde dit al eens een “shortcut with limited risk”.’ 

Marktschokken dempen

Laeven heeft minder sympathie voor een andere handreiking binnen Solvency 2. Verzekeraars mogen met een voortschrijdend gemiddelde rentevoet werken, in plaats van met de dagelijks schommelende marktrente. Zo worden fluctuaties in de solvabiliteit gedempt. Laeven had liever gezien dat verzekeraars zich op een andere manier wapenen tegen marktbewegingen. ‘Door te eisen dat het eigen vermogen in goede tijden van hoge marktrentes wordt opgehoogd en vervolgens de ruimte te geven dat deze weer kan dalen in magere tijden, bereik je hetzelfde. De verzekeraars zijn dan eveneens beschermd tegen renteschokken, zonder dat je het zicht op de werkelijkheid ontneemt.’ 

De nieuwe eisen hebben grote gevolgen voor de verzekeringssector. ‘Ondanks de gedane handreikingen wordt het wellicht toch moeilijk om bepaalde producten op de huidige schaal te blijven verkopen, zoals langlopende levenproducten’, zegt Laeven. 

Daarnaast is de verwachting dat kleine verzekeraars, ondanks dat ze onder een ‘light‘ versie van Solvency 2 vallen, meer moeite hebben met de toenemende regeldruk dan grote. ‘Daarmee ligt een verdere consolidatieslag in het verschiet’, zegt Laeven. ‘En dat is jammer, want het is maar de vraag of een kleine verzekeraar met een vast klantenbestand en een beperkt aantal heldere en sterke producten zwakker staat dan een grote.’

Bendert Zevenbergen

Gepubliceerd door  Economie en Bedrijfskunde