Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Switch to English

Op 9 december heeft het Amsterdams Instituut voor ArbeidsStudies (AIAS) aan de Tijdelijke Commissie Personeel – bestaande uit onder andere vakbonden en ondernemingsraad - de uitkomsten gepresenteerd van een analyse van alle soorten tijdelijke dienstverbanden en contracten waarmee de UvA heeft gewerkt van 2010-2015. De Tijdelijke Commissie Personeel had in juni opdracht hiervoor gegeven, het onderzoek is gefaciliteerd en gefinancierd door het College van Bestuur van de UvA. Het onderzoek bevat ook een enquête onder alle medewerkers (vast, tijdelijk, extern) naar hun ervaringen met tijdelijke contracten.

Gebruik van tijdelijke dienstverbanden 2010-2015

Huib de Jong, portefeuillehouder HR namens het College van Bestuur: 'Het is goed dat dit onderzoek gedaan is. Het AIAS-rapport geeft een beeld van het gebruik van tijdelijke dienstverbanden (omvang, patronen) en de beleving van UvA-medewerkers hiervan in de afgelopen jaren 2010-2015. Dat draagt bij aan het terugdringen van tijdelijke aanstellingen zoals in maart 2015 afgesproken is in het tienpuntenplan. We kijken uit naar het advies dat de Tijdelijke Commissie Personeel op basis van dit rapport aan het college gaat uitbrengen.'

Daling en Plan van Aanpak

Uit een interne meting blijkt het aantal tijdelijke aanstellingen voor de functiecategorieën docenten, universitair docenten, universitair hoofddocenten en hoogleraren aan de UvA te dalen: ruwweg van ruim 23% (1/2/2015) naar 21,5% (1/9/2015). Huib de Jong: 'Dat betekent dat wij op de goede weg zijn, maar we moeten ook niet alleen naar dit percentage kijken. De komende periode zullen wij, in samenwerking met de hoofden P&O van de faculteiten een Plan van Aanpak presenteren op basis van een nieuwe HR-Agenda. Hiermee kijken we breder hoe het personeelsbeleid in onze organisatie vorm te geven.'

Strikte naleving Cao NU

De UvA ziet toe op een strikte naleving van de Cao NU naar letter en geest. De soms noodzakelijke flexibele (tijdelijke) inzet, van medewerkers mag niet leiden tot het onevenredig beperken van de belangen van medewerkers op het gebied van baanzekerheid, ontwikkeling en loopbaan. Er moet altijd sprake zijn van een evenwichtige belangenafweging.