Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Switch to English

De revolutionaire omwentelingen in Egypte en Tunesië zullen niet snel overslaan naar de Golfstaten in het Midden-Oosten. Door hogere subsidies en een mildere vorm van onderdrukking ligt het niet voor de hand dat de regimes in die staten ook omvallen. Dat zegt UvA-politicoloog Paul Aarts.

De revolutionaire omwentelingen in Egypte en Tunesië zullen niet snel overslaan naar de Golfstaten in het Midden-Oosten. Door hogere subsidies en een mildere vorm van onderdrukking ligt het niet voor de hand dat de regimes in die staten ook omvallen. Dat zegt Paul Aarts, universitair docent Politicologie van de Universiteit van Amsterdam en kenner van het Midden-Oosten.

De Golfstaten kennen volgens Aarts regimes die minder despotisch zijn dan die in Noord-Afrika, dat onder meer zwaar heeft geleden onder Frans repressief bewind, zoals in Algerije. Een tekort aan mogelijkheden om de welvaart van de bevolking op peil te houden verzwakte de machtsbasis van de regimes. Dat veroorzaakte grote onderdrukking, culminerend in een dominante rol van veiligheidsdiensten en het leger. ‘De Koninklijke familie van Saoedi-Arabië zit bijvoorbeeld nog stevig in het zadel. Dat geldt ook voor de regimes in andere oliestaten. Ze hebben andere middelen om de bevolking rustig te houden. Die regeringen zijn wel repressief maar minder bruut dan staten als Egypte, Syrië, Tunesië en Jemen. De Golfstaten kunnen met oliegeld veel subsidies verlenen op basisproducten zoals voedsel, zeker als de olieprijzen stijgen. En als ze toch de subsidies verlagen dan herroepen ze die maatregel meestal snel, zoals Jordanië onlangs deed.’

In een toelichting hierop vertelt Aarts een anekdote van een kennis uit hoofdstad Amman. ‘Hij gebruikt stookolie in huis en gooide zijn tank vol toen de prijzen toenamen. Nu heeft de regering besloten om de prijs toch weer te verlagen en voelt hij zich bekocht. In Jordanië draait het regime waarschijnlijk net op tijd de prijsverhogingen terug, ook al vinden er zelfbrandingen en demonstraties plaats. De regering lijkt goed in staat te anticiperen op onrust.’

Monarchie

Aarts volgt de politieke ontwikkelingen in het Midden-Oosten al decennia op de voet. Hij adviseerde onder meer het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken en de Europese Commissie over dominante thema´s in de regio. Hij ziet de plotselinge val van de regimes in Egypte en Tunesië niet automatisch een vervolg krijgen in andere landen in het Midden-Oosten. Algerije is volgens hem ‘een geval apart’, waar de regering zijn positie enigszins heeft versterkt na een burgeroorlog in de jaren negentig. Daarnaast kent Jordanië een koningshuis maar is de monarch niet mikpunt van kritiek. Hij geniet een stilzwijgende steun onder de bevolking, die haar woede richt op het kabinet en corrupte politici. Aarts vindt dit opmerkelijk: ‘Iedereen in Jordanië weet dat de koning de politiek aanstuurt dus het is vreemd dat de monarchie toch leeft in de hoofden en harten van de inwoners, zeker in het niet-Palestijnse deel. Het koningshuis is van ons en dat moet zo blijven, is het overheersende gevoel bij het volk.’

Onderzoek heeft uitgewezen dat de onderdrukking in één-partijstelsels groter is dan in monarchieën. Een liberalisering in dictaturen verloopt dan ook soepeler wanneer een land de staatsvorm van een monarchie kent, legt Aarts uit: ‘Koningshuizen hebben minder moeite om politiek de teugels te laten vieren. De koning wordt namelijk gezien als rechtmatige baas van het land, ook door de godsdienstige connecties. Zo fungeert de koning in Marokko als aanvoerder van de gelovigen. Dat schenkt hem een semi-godsdienstige legitimatie. De koning zit hoog en droog, die kan de politiek makkelijker liberaliseren. Dat is minder makkelijk voor het generaalsregime van Egypte of de pure dictatuur in Syrië. Die regimes worden gedragen door één partij die zijn legitimiteit moet ontlenen aan verkiezingen. Ze moeten zich bewijzen en die legitimiteit verdienen, terwijl de koning die legitimiteit al bezit.’

Rosenthal

Overigens denkt Aarts dat de ontwikkelingen in het Midden-Oosten een herijking vergen van de positie van de Europese Unie. De EU kan volgens de universitair docent niet langer volstaan met een oproep tot kalmte om geopolitieke belangen als olie veilig te stellen. ‘De EU moet onder ogen zien dat in turbulente periodes bepaalde krachten komen bovendrijven, zoals islamistische bewegingen. Er zal wellicht een grote stem zijn weggelegd voor deze politici gezien de aanhang onder de bevolking, maar ik geloof niet in het doemscenario dat islamisten de macht overnemen.’

Minister van Buitenlandse Zaken Uri Rosenthal moet volgens Aarts een radicale ommezwaai maken. ‘Hij moet slapeloze nachten hebben van het idee dat Nederland niet anders kan dan die draai te maken in het buitenlands beleid. Hij noemt Iran een barbaars regime, daar ben ik echt van geschrokken. Natuurlijk moet je Iran veroordelen maar hij beziet het Midden-Oosten vanuit een zwart-wit perspectief. Door die vooringenomenheid praat hij te weinig met Iran en dat is ten koste gegaan van de diplomatie om de executie van de Zahra Bahrami te voorkomen.’