Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Switch to English

De Hoge Raad weigert terecht de wetgever te bevelen en met dwangsommen te bedreigen. Verklaringen van de Hoge Raad dat er iets moet gebeuren (zonder expliciet bevel) volstaan voor de wetgever, en passen bovendien veel beter bij de constitutionele verhoudingen. Dit blijkt uit het onderzoek waarop Geerten Boogaard op woensdag 15 mei promoveert aan de Universiteit van Amsterdam (UvA).

Boogaard ontwierp een beoordelingskader voor uitspraken waarin een rechter de wetgever tot regelgeving wil bewegen, en beoordeelde vervolgens op basis hiervan de belangrijkste nationale en Europese jurisprudentie op dit terrein. 

Formele en materiële bevelen

In het staatsrecht is nogal veel te doen over de weigering van de Hoge Raad, de hoogste rechter, om de nationale wetgever  te bevelen bepaalde regels tot stand te brengen (het zogeheten wetgevingsbevel). De verplichting voor de wetgever kan uit Europees recht voortvloeien, maar kan ook voortkomen uit onvoldoende wettelijke middelen, bijvoorbeeld om tegen het vrouwenstandpunt van de SGP op te treden. De wetenschappelijke kritiek richt zich met name op de conclusie van de Hoge Raad dat de rechter geen wetgevingsbevel kan geven, zelfs niet als vaststaat dat de wetgever wel verplicht is om in actie te komen. 

In zijn onderzoek vergeleek Boogaard deze lijn in de jurisprudentie met andere interventies van de Hoge Raad die heel sterk op een wetgevingsbevel lijken. Het gaat hierbij om de overwegingen waarin de Hoge Raad dreigt zelf het benodigde recht te gaan vormen als er niet snel een wetsvoorstel op tafel ligt, of – zoals in de SGP-zaak – de verklaring van de Hoge Raad dat er wetgeving tot stand moet worden gebracht. Boogaard stelt voor om deze manieren van de Hoge Raad om druk op de wetgever te zetten materiële wetgevingsbevelen te noemen, en deze te onderscheiden van de formele wetgevingsbevelen die de Hoge Raad dus strikt weigert te geven. Hieruit ontstaat echter de vraag waarom de Hoge Raad geen formele, maar wel materiële bevelen zou mogen geven. 

Twee perspectieven

Een belangrijke conclusie van Boogaard is dat de discussie over wetgevingsbevelen terug valt te voeren naar twee perspectieven. In de eerste plaats is dat een inhoudelijk perspectief, waarin de rechter moet doen wat nodig is om de wetgever te dwingen te doen wat hij verplicht is. In dit perspectief gaat het uitsluitend om de effectiviteit van de rechtsbescherming. In de tweede plaats is er een institutioneel perspectief dat oog houdt voor de waarborgen die ons constitutionele systeem in balans houden. De kern van dit systeem is dat waarborgen tegen misbruik ook gelden als iemand wel gelijk heeft. 

Boogaard bepleit een beoordeling van wetgevingsbevel in dit institutionele perspectief. Zijn conclusie is dat materiële wetgevingsbevelen toelaatbaar zijn en formele wetgevingsbevelen niet. De laatste berusten immers op hiërarchie en ongelijkheid; de eerste op gelijkwaardigheid en samenwerking.  

Promotiedetails

Geerten Boogaard, Het wetgevingsbevel. Over constitutionele verhoudingen en manieren om de een wetgever tot regelgeving aan te zetten (Oisterwijk: Wolf Legal Publishers 2013). Promotor is dhr. prof. dr. J.A. Peters. Co-promotor is dhr. dr. F.T. Groenewegen.

Tijd en locatie

De promotieplechtigheid vindt plaats op woensdag 15 mei om 12.00 uur.
Locatie: Agnietenkapel, Oudezijds Voorburgwal 231, Amsterdam.