Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Switch to English

Aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog was het luchtwapen, ondanks vier jaar hard werken, niet in staat tot een goede luchtverdediging. Dat vond zijn oorzaak niet alleen in het door de politiek en de legerleiding gevoerde beleid, maar ook in verschillen van inzicht onder deskundige militairen van het luchtwapen zelf.

Deze conclusie trekt oud-luchtmachtbevelhebber Dirk Starink in het promotieonderzoek dat hij deed onder auspiciën van Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH). De promotieplechtigheid vindt plaats op dinsdag 22 oktober aan de Universiteit van Amsterdam (UvA).

De oorzaken van de onvolledige gevechtsgereedheid van het luchtwapen in de periode 1913-1939 staan centraal in het Starinks promotieonderzoek. Het luchtwapen was toen nog onderdeel van de landmacht.  

Van gebrek aan vliegtuigen naar constante bezuinigingen 

De in 1913 opgerichte Luchtvaartafdeeling (LVA) op vliegkamp Soesterberg stond tijdens de Eerste Wereldoorlog nog in de kinderschoenen. Een handjevol vliegers met fragiele vliegmachines vormde de ‘slagkracht’ van het luchtwapen. Nederland bleef neutraal, maar tijdens de mobilisatiejaren 1914-1918 drongen de oorlogservaringen van het zich snel ontwikkelende luchtwapen ook door tot Soesterberg. De uiteenlopende luchtmachttaken kon de LVA lang niet allemaal uitvoeren; gebrek aan vliegtuigen belemmerde de groei van het luchtwapen. 

Tussen 1920 en 1935 stond het Nederlandse defensiebeleid in het teken van constante bezuinigingen op de militaire budgetten. Het leger - en dus ook de LVA - was uitsluitend een opleidingsinstituut voor reservisten en dienstplichtigen; ruimte voor parate eenheden was er niet. De legerleiding gaf het luchtwapen slechts een zeer bescheiden taak: luchtverkenning voor het Veldleger. Anno 1935 stelde het luchtwapen door de vele bezuinigingen nauwelijks nog iets voor, een stevig fundament voor wederopbouw ontbrak.  

Onsuccesvolle kentering

De onmacht van de Volkenbond, de opkomst van nazi-Duitsland en de opbouw van bommenwerpersvloten in de omringende landen zorgden in Nederland vanaf 1935 voor een kentering. Modernisering en uitbreiding van het luchtwapen kreeg prioriteit onder premier Colijn. Op aanraden van experts gaf hij in mei 1936 opdracht tot ontwikkeling van de Fokker T.V luchtkruiser, die al patrouillerend vijandelijke vliegtuigen in de lucht moest opwachten. Twee jaar later concludeerden experts dat het toestel voor die taak al verouderd was en adviseerden zij tot aanschaf van éénmotorige jachtvliegtuigen, naast de bekende Fokker G.I. Als Nederland onmiddellijk in Engeland moderne jagers als de Hurricane had aangeschaft, zou de luchtverdediging in 1940 meer ruggengraat hebben gehad. Defensieminister Van Dijk besloot echter onder druk van de Tweede Kamer en de lobby van vliegtuigbouwers als Fokker en Koolhoven de toestellen in Nederland te laten ontwikkelen en produceren. Maar de technologische en industriële basis was hier te smal, zodat voor de Nederlandse luchtverdediging in de zomer van 1939 geen moderne jagers beschikbaar waren.  

Promotiedetails 

Dhr. D. Starink: De jonge jaren van de luchtmacht. Het luchtwapen in het Nederlandse leger 1913-1939. Promotor is prof. dr. H. Amersfoort. Copromotor  is dr. J.A.M.M. Janssen.  

Tijd en locatie 

De promotieplechtigheid vindt plaats op dinsdag 22 oktober om 12.00 uur. 

Locatie: Agnietenkapel, Oudezijds Voorburgwal 231, Amsterdam.