Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!

Prof. dr. Henkjan Honing

‘Enthousiaste studenten tillen mijn onderzoek naar een hoger plan.’

foto: Eduard Lampe
Prof. dr. Henkjan Honing

Henkjan Honing, hoogleraar Muziekwetenschap, ontdekte onlangs dat het vermogen om regelmaat in muziek te horen niet is aangeleerd maar aangeboren. Wat drijft deze wetenschapper? Honing over wetenschap, nieuwsgierigheid en studeren.

Oorspronkelijk keek Henkjan Honing nogal tegen de wetenschap op, volgens hem ‘alleen voor hele slimme mensen’. Toch stapte de muziekwetenschapper de academische wereld binnen. Hij gaat pas weg als hij antwoord heeft op zijn vraag: waarom hebben wij muziek?

Een luisterende computer

Na de middelbare school was Honing jarenlang componist en muzikant. ‘Ik speelde op de piano, van klassiek tot en met jazz. Toen begin jaren 80 de eerste betaalbare computer waarmee je geluid kon maken op de markt kwam, was ik om. Ik verkocht mijn muziekinstrumenten, schafte een computer aan en wilde alleen daarmee nog muziek maken. Ik verdiepte me in programmeren en was lang bezig met een ‘luisterende’ computer. Een computer die luisterde naar twee slagwerkers en hun via de koptelefoon vertelde wat ze moesten doen. Maar hoe leg je een computer uit wat de eerste tel is? Hoe lang je een bepaalde noot speelt? Of een ritme spannend is?

Omdat ik de computer wilde beheersen, ging ik Sonologie studeren in Utrecht: een combinatie van informatica en muziekwetenschap. Ik schreef samen met een collega allerlei wetenschappelijke artikelen over hoe we programmeerden. We kregen toen onverwacht een promotieplaats in Londen. Zo rolde ik de wetenschap in.’

Baby’s en zangvogels

‘Mijn kernvraag is: waarom hebben we muziek? Mijn intuïtie zei me dat muzikaliteit is aangeboren. Maar is muziek echt zo fundamenteel? Sinds enkele jaren werk ik samen met een Hongaarse onderzoeksgroep, gespecialiseerd in auditieve perceptie (gehoor) bij pasgeboren baby’s. We hebben een reeks experimenten opgezet om uit te vinden of ritmegevoel is aangeboren of aangeleerd. De uitkomst: het horen van een regelmatige puls in muziek (beatinductie) is aangeboren. Dat stelt het onderzoek naar muziekcognitie in een veel bredere context. Als er geen beatinductie was, zou er dan wel muziek zijn?

Hiermee rijst de volgende spannende vraag: is muziek uniek voor mensen of hebben vocaliserende dieren als zangvogels ook muziek? Momenteel ben ik flink geboeid door de biologie, een nieuw veld voor mij. Ik wil, samen met biologen, uitzoeken in hoeverre beatinductie uniek menselijk is. Mijn kernvraag blijft maar mijn onderzoeksterrein en -methodes veranderen constant. In de meeste vakgebieden staat de gereedschapskist met methoden en technieken veel meer vast. Het mooie van interdisciplinair onderzoek, zoals muziekcognitie, is dat het onderzoeksveld niet binnen één vakgebied is te vangen. Ik wil dwarsverbanden zien en niet binnen één tak van de wetenschap blijven hangen.’

Fascinatie en enthousiasme

‘De drang om dingen te weten, nieuwsgierigheid, komt van binnen. Ik wil lekker klooien om te ontdekken hoe iets in elkaar zit. Zoals een kind wil weten wat er achter een kastdeurtje zit. Ook van mijn studenten verwacht ik nieuwsgierigheid. Natuurlijk, als het er niet spontaan uitkomt, probeer ik die nieuwsgierigheid aan te wakkeren met een vraag als: waarom raakt muziek je? Of: waarom vind je bepaalde muziek spannender dan andere? Fascinatie is wel essentieel.

Enthousiasme kan ik aanwakkeren maar het moet ook uit de studenten zelf komen. Dat zorgt voor een wisselwerking: enthousiaste studenten maken mij enthousiaster en vice versa. Zo heb ik mijn onderzoek waarin ik wilde aantonen dat iedereen muzikaal is, veel ambitieuzer kunnen aanpakken.

Gemotiveerde studenten denken mee, brengen me op ideeën en zo komen we samen tot mooie resultaten. Studenten moeten wel denken: dit wil ik weten! Heb je dat niet, dan houdt het op. Nu is 90 procent van mijn studenten enorm gemotiveerd dus ik heb nauwelijks te maken met ongemotiveerde studenten.

Als ik merk dat een student heel goed is – en dan bedoel ik niet alleen qua cijfers, maar iemand die ook meer wil weten en details wil onderzoeken – nodig ik hem of haar uit om langs te komen. Dan komen we meestal tot nieuwe onderzoeksvragen. We doen dan samen onderzoek en schrijven samen een artikel voor publicatie.’

Glenn Gould

‘Natuurlijk vraag ik me soms af wat ik aan het doen ben. Een kunstvorm, wat muziek óók is, lijkt niet te vangen in de formele regels die nodig zijn om een luisterervaring aan een computer duidelijk te maken. Maar sommige aspecten van muziek hebben toch meer regelmaat en structuur dan je vooraf denkt en kunnen wel degelijk wetenschappelijk onderzocht worden. Het mooie is dat de schoonheid van muziek ondanks de ontleding voor mij niet verloren gaat. Ik vind Glenn Gould nog steeds prachtig. Terwijl ik uren met getalletjes heb zitten puzzelen om de essentie van zijn timing te ontcijferen. Dan, wanneer ik op zoek ben naar een systeem, heb ik de delen zo geabstraheerd dat de muziek zelf helemaal is losgekoppeld van mijn onderzoek.

Er is slechts één pianowerk van Beethoven dat ik echt te vaak en te intensief heb beluisterd terwijl ik het onderzocht. Maar dat is dan ook het enige. Als ik geen schoonheid meer hoor in muziek, stop ik met mijn onderzoek.’