Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Bachelor Sociologie

'Sociologie zit in mijn genen'

Interview alumna Sociologie Khadija Arib

Khadija Arib studeerde Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam. In een interview met sociologie student Siebert Wielstra vertelt zij over haar eerste jaren in Nederland, haar studiekeuze en het nut van de sociologie voor haar (werkzame) leven als voorzitter van de Tweede Kamer.

Kadija Arib
Khadija Arib Foto: Hans Kouwenhoven

Hoe heeft u de eerste jaren in Nederland ervaren?

‘Ik was vijftien toen ik naar Nederland kwam en de eerste periode hier heb ik het best zwaar gehad. Ik kwam hier tijdens mijn pubertijd. In die tijd zijn vrienden en vriendinnen heel belangrijk, en die moest ik allemaal achterlaten. In het begin heb ik ontzettend geworsteld met het idee ‘ik wil terug’, maar tegelijkertijd ga je je toch ook oriënteren en proberen je verder te ontwikkelen. In Marokko had ik ook onderwijs gevolgd, maar daar had je een middenschool zonder niveauverschillen. Je gaat naar de basisschool tot je twaalfde, vervolgens ga je naar de middelbare school en dan krijg je alles; dat is ook voor elke leerling gelijk. Daarna kies je een richting. Hier is dat anders; hier maak je al vanaf je twaalfde keuzes. Dus toen ik op mijn vijftiende hier kwam wilde geen enkele school mij hebben. Ik heb het wel geprobeerd. Mijn vader ging met mij langs verschillende scholen, maar ik was te oud en had niet de juiste Nederlandse onderwijsachtergrond.’

Hoe bent u dan alsnog op de Sociale Academie terechtgekomen?

‘Ik was heel actief in mijn buurt Oude Noorden in Rotterdam. Ik was erg betrokken bij vrouwen die niet buiten kwamen en bij meisjes die niet naar school gingen. Ik ben toen als vrijwilligster actief geworden in de buurt. Ik kon al snel lezen en schrijven en wilde weten of ik iets kon betekenen voor deze vrouwen. Op een gegeven moment ben ik zo het maatschappelijk werk ingerold. Je had vroeger veel stichtingen die gesubsidieerd werden vanuit de overheid, die aan opvang en begeleiding deden voor gastarbeiders en hun gezinnen. Ik ben gevraagd of ik voor deze stichtingen meer dingen kon gaan doen, en dat deed ik. Het werd duidelijk dat het goed was als ik ook een opleiding zou gaan volgen, dus ging ik maatschappelijk werk studeren aan de Sociale Academie. Gelukkig kon ik op basis van mijn vrijwilligerservaring instromen bij die opleiding. Ik ben begonnen met MBO en later doorgestroomd naar HBO. Al werkend en lerend heb ik mij verder ontwikkeld.
Die tijd was voor mij ook een emancipatieproces. Ik was actief in feministische vrouwengroepen en daarin bespraken we dat je niet alleen iets had aan diploma’s, maar dat ook levenservaring erg belangrijk is. Dat werkte in mijn voordeel, ik was één van de weinige Marokkaanse vrouwen die actief was en iedereen om mij heen heeft mij toen echt gestimuleerd om te gaan studeren. Ik wilde altijd al leren, ook in Marokko. De kansen die ik kreeg heb ik met beide handen gegrepen.’

Waarom bent u op latere leeftijd nog sociologie gaan studeren?

‘Ik had al heel veel praktijkervaring door mijn werk en opleiding. Maar ik miste de theoretische verdieping. Ik wil maatschappelijke kwesties graag kunnen verklaren. Waarom gaan de dingen zoals ze gaan, en wat zit erachter? Sociologie vond ik gewoon een heel mooi vak. Het had ook te maken met mijn achtergrond in Marokko. Toen ik nog in Marokko woonde was ik gefascineerd door filosofie. Dat was iets opstandigs, als je filosofie ging studeren was je eigenlijk tegen het regime. Dus ik had zoiets van: dat wil ik wel doen. Uiteindelijk ben ik Sociologie gaan studeren, dat sloot het meeste aan bij mijn persoonlijke ontwikkeling, bij mijn werk en mijn betrokkenheid bij wat er in de samenleving speelt. Dan kun je denken aan de positie van vrouwen, minderheden en migranten, maar ook aan verschijnselen waar ik mee te maken had, zoals armoede.’


Wat zijn uw mooiste herinneringen aan de studie Sociologie aan de UvA?

‘Ik kan mij nog een prachtig boek herinneren van Norbert Elias, over de gevestigden en de buitenstaanders, zo mooi. Het is een klassiek boek, maar nog zo relevant, zeker als je nu kijkt naar het vluchtelingenvraagstuk. Met mensen die van buiten komen, en hoe gevestigden zich afschermen en bang zijn om anderen toe te laten. Ja, in dat boek kon ik helemaal opgaan, en is toch wel het mooiste boek dat ik tijdens de studie heb gelezen. Ik ben ook ontzettend vereerd dat ik colleges van Abraham de Swaan heb kunnen volgen over de verzorgingsstaat. Ik heb hem laatst zelfs ontmoet. Hij zei dat hij mij zich nog kon herinneren, maar ik geloofde er niets van.
Ali de Regt, Kees Schuyt en Joop Goudsblom gaven geweldige colleges. Ik ben blij dat ik van deze grootheden les heb gehad. Hun theoretische noties zijn ook nog steeds heel actueel. Het sociologische komt ook elke keer weer bij mij terug. Het blijft altijd fascinerend om te bekijken hoe mensen zich in de Tweede Kamer bewegen, in de fractie en in de zaal, hoe groepen worden gevormd. Wat zijn hun beweegredenen? Hoe worden de coalities en bondgenootschappen gesloten? Sociologie zit echt in mijn genen.’

Kunt u iets vertellen over hoe u werken en studeren combineerde?

‘Ik heb geen typische Nederlandse loopbaan gehad, als in eerst studeren, carrière en dan kinderen. Ik begon met kinderen – die wilde ik altijd al – en de rest volgde. Toen ik mijn kinderen kreeg volgde ik een HBO-opleiding, en later ben ik gewoon verder gaan studeren, dat heb ik altijd parttime gedaan. Natuurlijk was dat best zwaar, maar ik kon de studie in deeltijd doen, en ik werkte erbij dus ik had ook geen studieschuld en ook geen druk daarvan.’

Wat zijn de thema’s waar u zich binnen de sociologie mee bezig hebt gehouden?

‘Ik heb vooral verzorgingssociologie gedaan. Aanvankelijk koos ik voor arbeidssociologie; ik heb toentertijd onderzoek gedaan naar de flexibilisering van arbeid op Schiphol, vanuit de FNV. Ik ben toch verschoven naar de verzorgingssociologie omdat ik daar heel veel in herken van mijn eigen geschiedenis. De arbeidersomstandigheden, het beschavingsoffensief, de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving. Ik ben die richting opgegaan omdat het voor mij, komend uit een arbeidersgezin, als vrouw, als minderheid, zo herkenbaar was. Daarmee zeg ik niet dat het hetzelfde is, maar er was wel heel veel herkenning.’

Heeft u het idee dat u die sociologische kennis kan toepassen in uw werk?

‘Nadat ik had gewerkt bij de gemeente wist ik niet goed welke kant ik op wilde. Ik hield mij bezig met grootstedelijke problematiek en dat was qua studie heel interessant, want het ging in die tijd veel over dak- en thuislozenopvang, vrouwenopvang, jeugd en mensenhandel; maatschappelijke verschijnselen die te maken hebben met de sociale positie van bepaalde groepen. Bij Sociologie heb je het niet alleen over het probleem an sich, maar juist ook over de context en de geschiedenis. Naast mijn werk als ambtenaar heb ik ook kort gewerkt als onderzoeker bij het instituut voor sociologisch en economisch onderzoek aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam. Dat was heel goed voor mij. Daarna was voor mij heel duidelijk dat ik níet de wetenschap in moest, want ik had over alles een mening. En ik had in mijn werk veel ellende gezien bij gezinnen. Ik dacht: ‘als ik de wetenschap inga, heeft niemand daar iets aan. Als ik echt iets wil doen, dan moet ik de politiek ingaan’. Mijn sociologische kennis heeft ervoor gezorgd dat ik mijn mening beter kon vormen, en ik heb mijn eigen verleden in perspectief kunnen plaatsen. Het brengt je op een ander niveau van denken, van kijken naar problematiek. Ik kan mijzelf een beetje terugtrekken en met een soort ‘helikopter view’ kijken naar de samenleving, micro en macro. Zonder Sociologie zou ik dit niet hebben gekund en had ik mij altijd afgevraagd wat de achterliggende verklaring van een probleem of proces is.’  

Heeft u nog tips voor studenten?

‘Ik denk dat het belangrijk is, en dat geldt voor alle studies, dat je er alles uit moet halen wat er uit te halen valt. Want de tijd die je nu kan besteden aan studeren, die heb je niet meer als je gaat werken. Nu denk ik: ‘ik zou willen dat ik de tijd weer heb om die boeken te lezen’. Het zou ook mooi zijn als sociologen zich iets meer in het maatschappelijk debat mengen. Ik zie bijvoorbeeld vaak politicologen voorbijkomen. Dan denk ik: ‘oké, waar zijn de sociologen?’ Juist nu met de discussies over terrorisme; dan spreken er allerlei veiligheidsspecialisten, terwijl een sociologische blik hierop juist zo belangrijk is. Het is echt een terrein voor sociologen om zich te laten horen. Met name om vanuit een andere invalshoek de problemen te bespreken. Meng je als socioloog meer in het publieke debat. Laat van je horen!’