Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Paul van de Water heeft voor zijn promotietraject de mens achter 31 Nederlandse, gewelddadige collaborateurs tijdens de Tweede Wereldoorlog in kaart gebracht. Woensdag 7 september verdedigt hij zijn proefschrift ‘Collaboratie en geweld: Radicalisering en extremisme tijdens de Duitse bezetting van Nederland’.
Arrestatie van collaborateurs (beeld: Nationaal Archief)

Met zijn onderzoek gaat Van de Water op zoek naar het antwoord op de vraag: is de extremist te profileren als mens? ‘Veel publicisten hebben de stelling geuit: “Als je wilt weten wie de daders van genocide zijn, moet je in de spiegel kijken: dat zijn jij en ik.”’, vertelt hij. ‘Daar geloof ik niet in. Want hoe verklaar je dan dat mensen die in dezelfde omstandigheden verkeerden als de genocideplegers geen geweld pleegden?’

Van de Water vond een overtuigend voorbeeld voor deze stelling in de situatie in concentratiekamp Westerbork vlak na de bevrijding. Het kamp werd toen gebruikt voor het vasthouden van collaborateurs die hun rechtszaak afwachtten. Een groot deel van de bewakers bestond uit joodse voormalige gevangenen van het kamp. Zij hadden van het militaire gezag de opdracht gekregen om die taak uit te voeren. ‘Onder hen had je twee soorten: mensen die onmiddellijk gebruikmaakten van de kans om de collaborateurs te treiteren en mishandelen, en mensen die zich als voorbeeldige bewakers gedroegen. Als de omstandigheden het gedrag dicteren, kun je niet verklaren waarom de ene groep als bewaker wel ontspoorde en de andere groep niet.’

De onderzochte groep collaborateurs bestond uit 31 mannen. ‘Dat is geen gender bias’, zegt de promovendus. ‘Ik heb zelf enorm intensief gezocht en de hulp van anderen ingeroepen om extreem gewelddadige, Nederlandse vrouwen aan de kant van de collaborateurs te vinden. Die zijn er gewoon niet.’ Van de Water vond wel voorbeelden die in de buurt kwamen, zoals vrouwelijke bewakers die hun gevangenen weleens een klap gaven of treiterden. ‘Maar dat is geen voorbeeld van systematisch, structureel geweld. Ze hebben geen mensen gemarteld, verkracht of vermoord, en over dat soort geweld heb ik het in mijn onderzoek.’

Tekort aan erkenning

‘Een van mijn conclusies over de groep is dat er nauwelijks conclusies te trekken zijn die onverkort van toepassing zijn op alle daders. Daar is de variëteit te groot voor.’ Van de Water trof wel een aantal overeenkomsten aan die gelden voor een groot deel van de groep. ‘Ze waren vaak laagopgeleid en opgevoed in financiële en affectieve armoede: weinig zorg en liefde van hun ouders. Een ander gemeenschappelijke kenmerk bij een groot deel van de groep is maatschappelijke ontevredenheid: ze waren werkloos, of hadden een inkomen waarvan je amper kon rondkomen.’

(Beeld: Judith Jansen)
Copyright: Judith Jansen
De collaborateurs waren geen krankzinnige monsters. Het waren grotendeels gewone mensen die hoopten op een beter leven. Paul van de Water

De Duitse filosoof Axel Honneth stelt dat mensen drie erkenningsbronnen nodig hebben, vertelt Van de Water. ‘Als kind moet je liefde en aandacht krijgen en later in het leven gaat het om respect voor wie je bent en wat je doet en om sociale waardering door de mensen met wie je contact hebt. De stelling van Honneth is dat als die drie erkenningsbronnen jou niet ten deel vallen, de kans dat je ontspoort vrij groot is. Bij een groot gedeelte van deze 31 daders zie je dat er sprake is van zware tekorten op die drie punten.’ Uit zijn onderzoek blijkt echter ook hier dat dit niet voor iedere collaborateur geldt: er waren ook gewelddadige collaborateurs die in welstand opgroeiden en die juist wel affectieve aandacht kregen.

Een uitkomst die Van de Water met zekerheid kan stellen, is het volgende: ‘De collaborateurs waren geen krankzinnige monsters. Het waren grotendeels gewone mensen die hoopten op een beter leven. Je zou ze bijna allemaal kunnen profileren als opportunisten en profiteurs.’

Van de 31 collaborateurs hadden 30 geen religieuze of levensbeschouwelijke achtergrond. ‘Dat is opvallend, vooral in een sterk verzuilde samenleving waarin bijna iedereen op de een of andere manier door geloof of levensbeschouwelijke overtuiging, zoals communisme, werd beïnvloed.’ De uitzondering is Abraham Kaper: hij werd streng gereformeerd opgevoed en was zijn leven lang praktiserend christen. ‘Zelfs toen hij de meest grove vormen van geweld pleegde. Op allerlei andere vlakken komt hij wel overeen met de rest van de groep: hij groeide op in een gezin met twaalf broers en zussen, in armoede en had alleen het lager onderwijs afgerond.’

Bereidheid

Een aantal van de daders die Van de Water heeft onderzocht werkte bij de politie. Daar werd je met een lage opleiding wel aangenomen, maar kon je nooit boven het niveau van straatagent komen. ‘Dat leverde een stabiele basis op, maar geen toekomstperspectief’, vertelt Van de Water. ‘Totdat de nazi’s in beeld kwamen. Toen had je geen hoge opleiding meer nodig om carrière te maken, alleen bereidheid. Als je als nationaalsocialistisch politieagent bereid was om tegen het verzet te strijden en joden op te pakken, kon je carrière maken bij de politie.’

Een andere overeenkomst van een merendeel van de onderzochte groep collaborateurs is dat ze zich niet lieten leiden door ideologie. Ze waren wel nationaalsocialist, maar niet uit een diep geloof dat het nationaalsocialisme tot een betere wereld zou leiden. Waar ze wel in geloofden, was dat het nationaalsocialisme beter zou zijn voor henzelf: dat ze er maatschappelijk door zouden stijgen, dat ze een beter inkomen zouden krijgen, dat ze meer macht en invloed zouden krijgen. En dat was ook zo.’

(Beeld: Judith Jansen)
Copyright: Judith Jansen
Toen de nazi’s in beeld kwamen, had je geen hoge opleiding meer nodig om carrière te maken, maar alleen bereidheid. Paul van de Water

‘Veel literatuur zet het nationaalsocialisme neer als een rancuneleer: een leer gebaseerd op haat en uitstoting. Maar het is dus ook een leer van de hoop: de hoop op een beter leven. Later bleek dat valse hoop te zijn toen ze in de gevangenis terechtkwamen of werden geëxecuteerd.’

Collaborateurs zijn heel anders dan hedendaagse extremisten

In een subvraag van zijn proefschrift heeft Van de Water zijn onderzoeksresultaten vergeleken met literatuur over westerse, naoorlogse extremisten zoals hedendaagse terroristen. Uit deze vergelijking concludeerde hij: er zijn meer verschillen dan overeenkomsten. Zo handelden de collaborateurs uit zijn onderzoeksgroep uit volgzaamheid, terwijl hedendaagse extremisten veel meer uit eigen politieke, levensbeschouwelijke of religieuze overtuiging handelen.

Een ander verschil is dat van eerdere tekenen van ontsporing of criminaliteit: het grootste deel van de collaborateurs had geen strafblad, gewelddadige reputatie of ernstige mentale problemen. ‘Als je kijkt naar hedendaagse extremisten zie je dat er vaak sprake is van een patroon: het begint met kleine criminaliteit, wat leidt tot radicalisering, wat leidt tot extremisme’, legt Van de Water uit. Nog een belangrijk verschil is: in tegenstelling tot de groep collaborateurs, vind je onder de hedendaagse extremisten wel gewelddadige vrouwen. ‘Dat begon al in de jaren ’60 en is zo doorgezet. Er zijn tegenwoordig ook vrouwen die bomaanslagen plegen.’

De verschillen tussen de twee groepen zijn dus dominant, maar er zijn ook overeenkomsten. ‘De meest simpele overeenkomst is de acceptatie van geweld om je doel te bereiken. Daarnaast leeft een groot aantal van hedendaagse extremisten, net als de collaborateurs, in maatschappelijke ontevredenheid: ze voelen zich buitengesloten, kunnen geen baan vinden.’

Hogedrukpan

Naast de verschillen in levensloop en persoonlijkheid zijn er ook veel verschillen in de omstandigheden van hedendaagse extremisten tegenover collaborateurs in de Tweede Wereldoorlog. ‘De collaborateurs leefden in een dictatoriale samenleving van oorlogvoering, waarin geweld normaal was en zelfs werd toegejuicht. Dat is een hele andere situatie dan bij de westerse, hedendaagse extremisten. Zij leven in een open, democratische rechtsstaat waarin de overheid een monopolie heeft op geweld en het niet aan de burgers is om dit te gebruiken.’

‘Bij hedendaagse extremisten kan het proces van radicalisering soms jaren duren en daarna kan het nog heel lang duren voordat ze overgaan tot daden. Extremisten in de tijd van de Tweede Wereldoorlog werden extremist in een heel kort tijdsbestek, als in een soort hogedrukpan. Iemand kon in twee weken compleet veranderen.’

Omslag van het proefschrift: 'Collaboratie en geweld: Radicalisering en extremisme tijdens de Duitse bezetting van Nederland'

Promotiegegevens

Paul van de Water verdedigt zijn proefschrift op 7 september 2022 van 14:00 tot 15:30 in de Aula van de Oude Lutherse Kerk. Zijn promotor is prof. dr. F.P.I.M. van Vree. Copromotor is prof. dr. J.N. Tillie.