Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!

Het enorme psychisch lijden van kinderen in oorlogsgebieden verminderen. Dat is de missie van Mark Jordans, die onlangs werd benoemd tot bijzonder hoogleraar Global Child and Adolescent Mental Health aan de Universiteit van Amsterdam.  Zijn leerstoel werd ingesteld vanwege de Stichting War Child Holland.

Portretfoto bijzonder hoogleraar Mark Jordans
Mark Jordans: 'Op dit moment ontvangen veel kinderen geen hulp bij psychosociale problemen of ze ontvangen hulp waarvan niet bewezen is dat deze effectief is'

Mark Jordans, zelf directeur Research bij War Child en kinderpsycholoog, vertelt gepassioneerd en betrokken over zijn werk. Hij gelooft, nee, zíet, dat kinderen in oorlogsgebieden baat hebben bij goede psychosociale hulp. Of hij wel eens moedeloos wordt? ‘Ja. Al die brandhaarden, zoveel kinderen die in nood verkeren. Met War Child bereiken we 300.000 kinderen per jaar. Dat is een indrukwekkend aantal, maar er leven 142 miljoen kinderen in oorlogsgebieden. 142 miljoen! Dat is dus ook meteen een van de belangrijkste vragen die ik in mijn onderzoek wil beantwoorden: hoe zorgen we ervoor dat we de kennis die wij opdoen, kunnen toepassen op veel grotere groepen dan we tot nu toe hebben gedaan?’

Jouw doel is om een zorgsysteem te ontwikkelen dat kinderen in oorlogsgebieden kan helpen bij psychosociale problemen. Over welke kinderen hebben het dan?

‘Veel mensen denken aan kindsoldaten, en die extreem kwetsbare kinderen helpen we uiteraard ook, maar dat is een kleine groep. Alle kinderen die opgroeien in een oorlogsgebied kunnen te maken krijgen met de directe gevolgen van oorlog. Ze zijn bijvoorbeeld getuige van bombardementen, ze verliezen familieleden of vrienden als gevolg van oorlogshandelingen, ze krijgen te maken met armoede. En dan zijn er ook nog de indirecte gevolgen van oorlog: het fundament van gemeenschappen wordt minder hecht en er is sprake van een afname van morele waarden. Daardoor kunnen kinderen te maken krijgen met bijvoorbeeld seksueel geweld. Daarnaast komt het schoolsysteem onder druk te staan en ondervinden ouders veel stress, wat ook weer tot mishandeling en verwaarlozing kan leiden.’

Wat kun jij als wetenschapper betekenen om de situatie van deze kinderen te verbeteren?

‘Ik zet de wetenschap in om de directe psychische zorg aan kinderen in oorlogsgebieden te verbeteren. Op dit moment ontvangen veel kinderen geen hulp bij psychosociale problemen of ze ontvangen hulp waarvan niet bewezen is dat deze effectief is. In mijn onderzoek ga ik op zoek naar methoden die wél werken en op basis daarvan wil ik een zorgpakket ontwikkelen dat kan worden toegepast door hulporganisaties. Niet alleen door War Child, want daar zijn we zoals gezegd te klein voor, maar ook door Unicef, Plan en SOS Kinderdorpen.’

Waaruit bestaat zo’n zorgpakket?

‘Samen met Wereldgezondheidsorganisatie WHO hebben we bijvoorbeeld een geprotocolleerde interventie ontwikkeld. In zeven sessies maakt een groep kinderen kennis met elkaar, leren ze emotionele problemen herkennen en anders omgaan met hun problemen. Ook leren ze hun sociale steunpunten te versterken en identificeren ze activiteiten waar ze plezier uit halen. Deze interventie wordt geleid door iemand uit de plaatselijke gemeenschap, die daarvoor een tweewekelijkse training volgt.’

En voor de ouders?

‘Ook voor hen zijn er interventies. Ouderlijke stress heeft een zeer negatieve invloed op de manier waarop zij met hun kinderen omgaan, en kan ook leiden tot mishandeling. Onze methode helpt om die stress te verlagen, waardoor de relatie met hun kind verbetert.’

Ouders die met hun kinderen in oorlogsgebieden en/of vluchtelingenkampen wonen, hebben die wel behoefte aan dergelijke trainingen?

‘Ja. Ze voelen zich vaak enorm machteloos en tekortschieten als ouder en ze zijn ontzettend blij dat ze de interventie kunnen volgen. “Ik voel me zoveel beter”, horen we vaak. Het mooie is ook dat niet alleen de moeders, maar ook de vaders naar de interventie komen én blijven komen. Voordat we de ontspanningsoefeningen doen, leggen we eerst uit waarom we dat doen en wat de invloed van stress op de hersenen is. Dat blijken zij enorm te waarderen. Net als de mp3-spelers met ontspanningsoefeningen.’

De omstandigheden waarin kinderen en ouders leven, verander je uiteraard niet met dit soort trainingen. Waarom is het dan toch zo belangrijk dat we hen op deze manier helpen?

‘Iedere directe hulp die je biedt, zorgt voor een verbetering van het welzijn van kinderen. Ze hebben bijvoorbeeld minder last van zelfmoordgedachten. Daar zit wat mij betreft al winst. En vanuit de volksgezondheidsgedachte bekeken heeft een kleine verbetering op een populatie een enorm effect op de hele maatschappij.’

Vaders en moeders in oorlogsgebieden voelen zich enorm machteloos en tekortschieten als ouders

Zouden deze interventies ook kunnen helpen om oorlogen te voorkómen?

‘Het is heel lastig om dat vast te stellen, maar het is wel aangetoond dat geweld vaak van generatie op generatie wordt overgedragen. Mogelijk kunnen we eraan bijdragen om die cyclus te doorbreken.’

Hoe emotioneel betrokken ben jij bij je werk?

‘Het is niet zo dat ik elke dag enorm geëmotioneerd ben. Laten we wel wezen: een groot deel van de tijd zit ik gewoon in een veilige omgeving op mijn laptop te werken. Vanuit academisch oogpunt is dat ook goed – je moet afstand bewaren tot je onderwerp om je werk goed te doen. Ik heb wel als kinderpsycholoog gewerkt in de aardbevingsgebieden van Kashmir en Nepal. Dan word je direct met de chaos en het leed geconfronteerd. Dat raakt me wel, ja.’

Waarom ben jij dit werk gaan doen?

‘Mensen helpen is mij een beetje met de paplepel ingegoten: mijn vader was tropenarts. Kinderen vormen al heel lang de rode draad in mijn leven; op de een of andere manier kan ik er slecht tegen als ik kinderen zie lijden. Daarom koos ik waarschijnlijk ook voor de studie Kinderpsychologie – als enige man zat ik tussen ongeveer 60 vrouwelijke studenten. In mijn studententijd werkte ik bij de Kindertelefoon.’

Heb je zelf ook kinderen?

‘Ja, een zoon van 19. Die is trots op wat ik doe, maar hij volgt niet per se zijn vader op.’

Vind je dat moeilijk?

‘Ik hoop vooral dat ik hem heb meegegeven dat wij het hier ontzettend goed hebben, en dat dat zeker niet vanzelfsprekend is.’