Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
EN

De evolutie van bepaalde kenmerken van tropisch fruit, heeft ervoor gezorgd dat zoogdieren en vogels de zaden over lange afstanden hebben verspreid en de biogeografische verspreiding van de fruitbomen is geworden zoals deze nu is. Dit is de belangrijkste conclusie van een nieuwe internationale studie met een belangrijke bijdrage van de groep van Daniel Kissling (UvA-IBED). De resultaten zijn gepubliceerd in het tijdschrift Journal of Biogeography.

Regenwoud in Borneo. Foto: Renske Onstein

Alle vruchten hebben specifieke kenmerken die de fruitkenmerken worden genoemd. Denk hierbij bijvoorbeeld aan de vruchtgrootte, vorm en kleur. In het recent gepubliceerde onderzoek, geleid door voormalig UvA-postdoc Renske Onstein, onderzochten biologen hoe deze fruitkenmerken zich verhouden tot verspreiding over lange afstanden door vogels en zoogdieren. Onstein: 'We hebben specifiek gekeken naar de Annonaceae-plantenfamilie. Dit is een plantenfamilie die wereldwijd ongeveer 2400 soorten kent, en die zich naar regenwouden van alle continenten heeft verspreid. Het is een belangrijke plantenfamilie voor fruitetende dieren, omdat de meeste soorten vlezige vruchten hebben. ' De vruchten van de Annonaceae staan in het Nederlands bekend als  ‘zuurzak’.


Borneo

In oktober 2015 reisde het team naar het regenwoud in Borneo om daar planten van Annonaceae te verzamelen (zie onderstaande video). Daarna combineerden de onderzoekers hun veldkennis en de in het veld verzamelde gegevens met fylogenetische data, om zo de historische biogeografie en langeafstandsverspreiding van deze tropische planten af ​​te leiden. Zo ontdekte ze dat bepaalde fruitkenmerken een sterke correlatie hebben met historische langeafstandsverspreiding door dieren. Ze toonden bijvoorbeeld aan dat verspreiding over lange afstanden samenhangt met het hebben van groot fruit met doffe kleuren, en dat dit type vruchten vooral wordt verspreid door grote zoogdieren.

Biogeografische verspreiding

Traditioneel werd de biogeografische verspreiding van regenwoudplanten op verschillende continenten verklaard door 'vicariantie', het ruimtelijk gescheiden raken van soorten door het uiteenvallen van het Gondwaanse supercontinent. 'In tegenstelling tot dit traditionele beeld, toont ons onderzoek aan dat het over land en over water spreiden, over afstanden van meer dan 1.000 km, een ​​plausibel alternatief scenario is om in ieder geval een deel van de distributie van tropische plantenlijnen in de wereld te verklaren', zegt UvA-onderzoeker Daniel Kissling. 'Ons onderzoek werpt licht op het verspreidingsmechanisme en de dieren die deze langeafstandsverspreiding mogelijk hebben gefaciliteerd.’

Opwarming van de aarde

Verspreiding over grote afstanden is belangrijk voor de overleving van planten en kan ook een belangrijke rol spelen bij het ‘ontsnappen’ aan de huidige en toekomstige opwarming van de aarde. Voor tropische planten die afhankelijk zijn van plantenetende dieren voor zaadverspreiding, kan het moeilijk zijn om de voortschrijdende wereldwijde veranderingen te overleven als deze tropische dierenpopulaties achteruit blijven gaan. Onstein: 'Sommige van de eigenschappen die we in deze studie hebben geïdentificeerd, kunnen inzicht verschaffen in welke planten afhankelijk zijn van welke soorten dieren voor verspreiding over grote afstanden. Zo kunnen we hopelijk in de toekomst zulke soorten helpen te overleven, mits er voldoende leefgebied voor hen overblijft. '

 

Onderzoekers Thomas Couvreur, Renske Onstein en Hervé Sauquet tijdens hun veldwerk. Foto: Forestry Herbarium in Sandakan (Borneo).

Details van de publicatie

Renske E. Onstein,  W. Daniel Kissling, Lars W. Chatrou,  Thomas L. P. Couvreur,  Hélène Morlon,  Hervé Sauquet (2019). Which frugivory‐related traits facilitated historical long‐distance dispersal in the custard apple family (Annonaceae)? Journal of Biogeography. DOI:  https://doi.org/10.1111/jbi.13552

Contactinformatie

dhr. dr. rer. nat. W.D. (Daniel) Kissling

Associate Professor of Quantitative Biodiversity