Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.

De afgelopen jaren groeit de zorg en oproep om jongeren naar de stembus te krijgen. Bij de UvA wordt onderzoek gedaan naar welke factoren bijdragen aan de intenties van jongeren om te gaan stemmen bij verkiezingen. Hierbij worden inzichten vanuit de onderwijswetenschappen, sociologie en politicologie gebundeld.

Afbeelding rechtenvrij via Unsplash

De Tweede Kamer verkiezingen komen er weer aan. In Nederland hebben burgers vanaf hun 18e levensjaar het recht om te gaan stemmen bij de Tweede Kamer verkiezingen.

De afgelopen jaren maakte gemiddeld tegen de 80 procent hier gebruik van (zie: parlement.com). Het aandeel jongeren (tussen de 18 en 24 jaar) dat naar de stembus gaat is net als in veel andere landen echter lager dan gemiddeld (Dassonneville, 2016).

Onderwijswetenschappers aan de UvA werkten mee aan het International Civic and Citizenship Education Study (ICCS) onderzoek dat in 2016 is uitgevoerd (zie Munniksma et al., 2017). Daarin stelden we Nederlandse 13-14 jarige jongeren de vraag of ze voornemens waren om te gaan stemmen bij Tweede Kamer verkiezingen zodra ze 18 waren. Van deze nationaal representatieve steekproef gaf 75% van de jongeren aan dat ze voornemens waren te gaan stemmen. Dit percentage was een van de laagste van de 24 landen die deelnamen in het ICCS 2016 onderzoek. Een groot deel van deze jongeren is nu, 5 jaar later, 18 jaar of ouder en dus stemgerechtigd. Wanneer inderdaad 75% van deze jongeren nu naar de stembus gaat, ligt het percentage jongeren dat stemt waarschijnlijk nog steeds lager dan bij oudere generaties.

 

Hoe kunnen jongeren gestimuleerd worden om naar de stembus te gaan?

De overheid ziet hiervoor een taak voor het onderwijs. Sinds 2006 zijn scholen verplicht aandacht te besteden aan burgerschapsvorming. Scholen dienen leerlingen voor te bereiden op deelname aan de democratische samenleving. Hiervan is politieke participatie, zoals stemmen bij verkiezingen, ook een onderdeel.

Bij onderwijswetenschappen wordt onderzocht hoe scholen leerlingen voorbereiden op deelname aan de samenleving en wat de uitkomsten hiervan zijn (zie Coopmans et al., 2020; Schuitema et al., 2008; Geboers et al., 2013). In het onderzoek naar stemintenties zijn inzichten vanuit onderwijswetenschappen gebundeld met inzichten uit de sociologie en politicologie, respectievelijk over kansengelijkheid en democratie. Concreet is in het onderzoek gekeken naar de mate van kansengelijkheid binnen burgerschapsonderwijs, met het oog op democratische processen. In veel landen, waaronder Nederland, zijn mensen met een langere opleiding of een meer bevoordeelde socio-economische achtergrond meer geneigd om te gaan stemmen (Gallego, 2010, 2014; Munniksma et al., 2017). Om de legitimiteit van democratische besluitvorming te garanderen, en te zorgen dat bepaalde groepen niet disproportioneel minder invloed hebben op beleidskeuzes (Verba, 1995; Parkinson, 2003), is het wel van belang dat burgers met verschillende achtergronden stemmen.
 

Wat voor rol speelt onderwijs hierin?

Nog voordat jongeren stemgerechtigd zijn, kunnen hun onderwijservaringen een mogelijke rol spelen in of ze gaan stemmen. Binnen UvA-onderzoek van promovenda Hester Mennes is aan de hand van gegevens van de grootschalige ICCS studie (2016) gekeken naar het aanbod van democratische activiteiten binnen school; stemmen leerlingen wel eens binnen school, ervaren ze inspraakmogelijkheden? Het idee is dat zulke activiteiten bekendheid creëren met hoe de democratie functioneert en de eigen rol daarin; de school als een soort ‘mini-democratie’.

Resultaten van het onderzoek lieten zien dat leerlingen die deel hadden genomen aan dergelijke democratische activiteiten binnen school ook sterkere intenties hadden om later te gaan stemmen. Echter zagen we ook ongelijkheden: leerlingen met een relatief bevoordeelde socio-economische achtergrond namen meer deel aan zulke activiteiten binnen school, ook wanneer schoolleiders aangaven dat zulke democratische activiteiten er voor veel of vrijwel alle leerlingen op de school waren. Daarnaast gaven jongeren met een meer bevoordeelde socio-economische achtergrond aan sterkere intenties te hebben om later te gaan stemmen.


Wat betekenen deze resultaten voor democratische ongelijkheden en de rol van scholen?

Dit betekent dat een gelijk aanbod binnen een school niet per se gelijke uitkomsten hoeft te betekenen: sommige jongeren zullen meer geneigd zijn of zich meer gestimuleerd voelen om deel te nemen aan democratische activiteiten op school, en daar mogelijk de vruchten van plukken voor hun latere participatie in de democratie. Het onderwijs dat scholen bieden kan dan (onbedoeld) democratische ongelijkheden in stand houden, of zelfs versterken. Daarmee kunnen reeds bestaande ongelijkheden in politieke participatie door onderwijs gereproduceerd worden, terwijl het aanbod gelijk is.

Deze resultaten haken in op alternatieve democratische processen, bijvoorbeeld bij inspraakprocedures en burgerparticipatie. Ander onderzoek op de UvA door Michiel Stapper liet zien dat bepaalde participatieprocessen voor alle burgers bedoeld zijn, maar dat dit onevenredig door bevoordeelde burgers werd gebruikt. Dat versterkt sociale ongelijkheden in democratische processen. Het onderzoek bij onderwijswetenschappen laat zien dat vergelijkbare patronen al op jonge leeftijd zichtbaar zijn, reeds aan het begin van het voortgezet onderwijs! Dit onderstreept het belang van inzicht in de rol die onderwijs speelt in het versterken of juist compenseren van sociale ongelijkheden in democratische processen, zoals stemmen bij verkiezingen.

 

Wat als jongeren ervoor kiezen hun stem op een andere manier te laten horen dan via de stembus?

Hoewel stemmen een traditionele en belangrijke vorm van politieke participatie is, is het niet de enige vorm.  Veel jongeren laten momenteel hun stem horen, ook al is dat (nog) niet via het stemlokaal. Denk aan de klimaatprotesten, of de Black Lives Matter demonstraties wereldwijd, maar ook online delen jongeren wat ze belangrijk vinden. Bij onderwijswetenschappen kijken we ook daar naar: van welke manieren van politieke en democratische betrokkenheid maken jongeren gebruik, en ervaren ze dat hun stem wordt gehoord? Ook daarin kan onderwijs een rol spelen, hetgeen bij onderwijswetenschappen wordt onderzocht: Structurele aandacht binnen het onderwijs voor de ruimte en middelen die jongeren (willen) ervaren om deel te nemen aan de democratie kunnen een aanvulling zijn op initiatieven die eenmalig of van korte duur zijn.


Bronnen

  • Coopmans, M., Ten Dam, G., Dijkstra, A. B., & Van der Veen, I. (2020). Towards a Comprehensive School Effectiveness Model of Citizenship Education: An Empirical Analysis of Secondary Schools in The Netherlands. Social Sciences, 9(9), 157.
  • Dassonneville, R. (2016). Age and voting. In Arzheimer, K., Evans, J., & Lewis-Beck, M. S. (red.), The Sage handbook of electoral behavior (pp. 137 - 158). New York: Routledge.
  • Gallego, A., 2010. Understanding unequal turnout: Education and voting in comparative perspective. Electoral Studies, 29(2), 239–248.
  • Gallego, A., 2014. Unequal Political Participation Worldwide, Cambridge: Cambridge University Press.
  • Geboers, E., Geijsel, F., Admiraal, W., & ten Dam, G. (2013). Review of the effects of citizenship education. Educational Research Review, 9, 158-173.
  • Munniksma, A., Dijkstra, A. B., Van der Veen, I., Ledoux, G., Van de Werfhorst, H., & Ten Dam, G. (2017). Burgerschap in het voortgezet onderwijs. Amsterdam University Press.
  • Parkinson, J. (2003). Legitimacy problems in deliberative democracy. Political studies, 51(1), 180-196.
  • Schuitema, J., Ten Dam, G. T., & Veugelers, W. (2008). Teaching strategies for moral education: A review. Journal of curriculum studies, 40(1), 69-89.
  • Verba, S., 1995. The citizen as respondent: Sample surveys and American democracy presidential address, American Political Science Association. American Political
  • Science Review, 90(1), 1–7.