25 februari 2026
Sinds 2010 zijn in Hongarije op grote schaal ingrepen geweest bij musea, gedenkplaatsen en openbare herdenkingen, waarmee het nationale verhaal wordt herschreven. Zo werd bijvoorbeeld het gebied rond het parlement in Boedapest opnieuw ingericht om aan te sluiten bij een conservatief-nationalistische lezing van de geschiedenis. Een ander voorbeeld is het omstreden Monument voor de Slachtoffers van de Duitse Bezetting dat in 2014 op het Vrijheidsplein werd geplaatst (maar nooit officieel werd onthuld). Het monument suggereert dat Hongarije uitsluitend slachtoffer was van nazi-Duitsland, waardoor de Hongaarse medeverantwoordelijkheid voor de Jodenvervolging naar de achtergrond verdwijnt.
‘De ingrepen in het culturele landschap passen in een bredere verschuiving van een complex en meerstemmig historisch verhaal naar een eenduidig, nationalistisch slachtoffernarratief’, aldus Deim. ‘Ook musea spelen hierbij een belangrijke rol. Zo legt het museum Huis van Terreur in Boedapest sterk de nadruk op Hongarije als slachtoffer van het communisme, binnen een breder verhaal over twintigste-eeuwse onderdrukking. Daarmee ondersteunt het museum een ideologisch kader waarin nationale soevereiniteit, christelijke identiteit en traditionele waarden centraal staan.’
Het Orbán-regime zet ideologisch niet alleen in op nationale trots, christelijke identiteit en slachtofferschap in het verleden. Deim: ‘Verzet tegen vermeende buitenlandse inmenging van de Europese Unie speelt ook een centrale rol. Orbán wil de wereld laten zien dat Hongarije niet achter de West-Europese leiders aanloopt.’
Door het herinneringslandschap systematisch te herstructureren, wordt gewerkt aan wat Orbán zelf een ‘nieuwe culturele era’ noemt. De groeiende staatscontrole op culturele instellingen beperkt tegelijkertijd de ruimte voor alternatieve perspectieven.
Toch blijft die ruimte niet volledig leeg. Er zijn ook tegenverhalen. Zo ontstond rond het Monument voor de Slachtoffers van de Duitse Bezetting het Living Memorial, een door burgers georganiseerde herdenkingsplek met persoonlijke objecten, foto’s en verhalen van Holocaustslachtoffers. Ook de verwijdering van het standbeeld van Imre Nagy, de hervormingsgezinde premier tijdens de Hongaarse Opstand van 1956, leidde tot artistieke protestacties. Volgens Deim laten deze vormen van activisme zien dat herinneringscultuur geen vaststaand gegeven is, maar een dynamisch proces waarin verschillende groepen strijden om betekenis. Het herinneringsactivisme zet nog steeds door, maar wordt steeds machtelozer, mede door forse kortingen op cultuursubsidies.
Deims onderzoek is extra actueel nu Hongarije afstevent op nieuwe verkiezingen. De peilingen wijzen op een nek-aan-nekrace: het is ongeveer fiftyfifty of Orbáns partij Fidesz opnieuw wint, of dat de oppositiepartij Tisza van Péter Magyar aan de macht komt.
‘Mocht de oppositie winnen, dan betekent dat waarschijnlijk minder directe staatscontrole en meer institutionele autonomie. Daarmee zou ook het herinneringsbeleid een andere koers kunnen krijgen’, vertelt Deim tot besluit.