6 mei 2026
‘Debatten over immigratie worden vaak geframed in de context van banen of economische druk’, vertelt Uysal. ‘Maar waar het echt om gaat, is hoe mensen naar rechtvaardigheid kijken: het draait in essentie om ideeën over van wie ‘ons land’ en ‘onze middelen’ zijn, en wie daar volgens hen recht op heeft.’
Op basis van internationale surveydata uit Europa en een eigen survey-experiment in Turkije zet Uysal in haar onderzoek vraagtekens bij het hardnekkige idee dat anti-immigratiehoudingen vooral voortkomen uit concurrentie om schaarse middelen. In plaats daarvan blijkt dat mensen het sterkst reageren wanneer zij het gevoel hebben dat immigranten voordelen of rechten krijgen die volgens hen toebehoren aan de oorspronkelijke bevolking. Wanneer dat gevoel van aanspraak onder druk staat, zijn mensen eerder geneigd strengere immigratieregels en beperkingen op de rechten van immigranten na aankomst te steunen.
Deze dynamiek weerspiegelt wat Uysal omschrijft als de ‘onzichtbare grenzen van de geest’ – symbolische scheidslijnen die bepalen wie een land binnen mag, welke rechten iemand krijgt en of diegene wordt gezien als een volwaardig lid van de samenleving.
In Uysals onderzoek ligt de focus op emoties. In plaats van publieke opinie te zien als louter gedreven door materieel eigenbelang, laat zij zien dat emotionele reacties een doorslaggevende rol spelen bij het vormen van opvattingen. ‘Emoties zijn niet slechts een bijproduct van politieke meningen; ze vormen een essentieel onderdeel van het mechanisme zelf,’ zegt ze.
We moeten begrijpen hoe mensen naar rechtvaardigheid kijken en hoe emoties zoals woede en compassie daarop inwerken.Duygu Merve Uysal Dinçol
Met name woede en compassie blijken krachtige, maar tegengestelde krachten te zijn – veel sterker dan angst, die vaak wordt gezien als de drijvende kracht achter weerstand tegen immigratie. Woede ontstaat vooral wanneer mensen schendingen van rechtvaardigheid of groepsnormen ervaren, wat leidt tot sterkere afwijzing van immigranten. Compassie daarentegen wordt opgewekt door het bewustzijn van de moeilijke omstandigheden van immigranten en kan uitsluitende opvattingen juist verminderen.
Een van de belangrijkste bevindingen van Uysal gaat over toegang tot de verzorgingsstaat. Zelfs wanneer immigranten worden beschreven als hardwerkend, hulpbehoevend en bijdragend aan de samenleving, krijgen zij minder publieke steun dan mensen die in het land zijn geboren. ‘Deze kloof is niet simpelweg te verklaren vanuit economisch eigenbelang’, aldus Uysal. ‘Het weerspiegelt een dieperliggende overtuiging dat de verzorgingsstaat – en de rechten die daarbij horen – toebehoort aan de oorspronkelijke bevolking.’
Het onderzoek duidt erop dat mensen de verzorgingsstaat vaak zien als een vorm van collectief bezit, opgebouwd over generaties. Wanneer immigranten worden gezien als profijt hebbend van deze middelen, kan dat weerstand oproepen, ook wanneer er geen duidelijk financieel nadeel voor henzelf is. Maar wanneer dezelfde vorm van steun werd gepresenteerd als gefinancierd door de EU (dus als externe hulp, buiten de ‘gemeenschappelijke pot’ die men als eigen beschouwt) verdween de kloof in publieke steun.
De bevindingen leiden tot een bredere conclusie: debatten over immigratie gaan niet alleen over feiten en cijfers, maar ook over ideeën van rechtvaardigheid en de emoties die daarmee samenhangen.
‘Als we polarisatie rond immigratie willen begrijpen, moeten we verder kijken dan economische verklaringen’, zegt Uysal tot slot. ‘We moeten begrijpen hoe mensen naar rechtvaardigheid kijken en hoe emoties zoals woede en compassie daarop inwerken. Het stimuleren van compassie en het adresseren van ervaren onrechtvaardigheid – zonder dat dit omslaat in uitsluitende politiek – kan cruciaal zijn voor een constructiever publiek debat over immigratie.’