7 september 2026
Bij de oprichting van het Tribunaal gingen de verwachtingen verder dan het berechten van individuen. Het moest bijdragen aan een gezaghebbend historisch verslag en uiteindelijk aan vrede in de regio. De Amerikaanse vertegenwoordiger in de VN-Veiligheidsraad verklaarde destijds dat het ‘geen tribunaal van overwinnaars’ zou zijn en dat ‘de enige overwinnaar’ de waarheid zou zijn.
In de praktijk botste dat met het juridische karakter van het ICTY. Het was een strafrechtelijke rechtbank, gericht op individuele aansprakelijkheid voor concrete misdrijven. De bredere politieke oorzaken van de oorlogen vielen buiten het formele mandaat.
‘Daardoor was het zoeken naar de historische “waarheid” over de oorzaken van het geweld, in de gevallen dat het überhaupt aan de orde kwam, eerder een neveneffect dan een expliciet doel van de procedures,’ zegt Finci.
Toch probeerde het Openbaar Ministerie soms een groter verhaal te vertellen. Juridische concepten die bij het Tribunaal werden ontwikkeld, zoals ‘joint criminal enterprise’ (gebruikt om een gedeelde politieke motivatie te onderbouwen bij verschillende verdachten) zorgden ervoor dat discussies over de politieke achtergronden van de conflicten de rechtszaal binnenkwamen.
In de praktijk leidde dit tot een confrontatie tussen verschillende versies van het verleden. Aanklagers presenteerden hun visie op de oorzaken van de misdrijven, verdachten reageerden vaak met versies die sterk leken op de dominante nationale narratieven in hun thuislanden.
Het verhaal over waarom Joegoslavië in chaos verviel, blijft een geschiedenis met concurrerende versies.Petar Finci
‘Als een uitspraak van het Tribunaal het verhaal bevestigde dat in een land als nationale geschiedenis is gaan gelden,’ zegt Finci, ‘kon dat worden gevierd als weer een stukje in een “mozaïek van heldhaftige geschiedenis”. Maar wanneer rechters dat narratief afwezen, was de reactie in het betrokken land vaak om in de verdedigingsstand te schieten: de nationale geschiedenis mocht niet, en zou niet, door het Tribunaal worden geschreven.’
De interne organisatie van het ICTY versterkte dit probleem. Verschillende kamers waren niet verplicht om elkaars feitenvaststellingen te volgen, zelfs wanneer zij zich over dezelfde gebeurtenissen of dezelfde vermeende daders uitspraken. Finci vond daardoor zaken waarin uitspraken elkaar tegenspraken over de oorzaken van hetzelfde geweld.
‘De bevindingen zijn weinig consistent zodra het gaat om de bredere analyse van de politieke oorzaken van crimineel geweld,’ concludeert hij.
Tegelijkertijd benadrukt Finci dat dit niet afdoet aan de belangrijkste verdienste van het Tribunaal. In de berechting van meer dan honderd verdachten stelden de rechters nauwkeurig vast wat er is gebeurd: van individuele moorden en detentiekampen tot grootschalige campagnes waarbij bevolkingsgroepen met geweld uit bepaalde gebieden werden verdreven. Het ICTY bouwde een enorm archief op van bewijsmateriaal over de gebeurtenissen en gevolgen van de oorlogen, en stelde boven redelijke twijfel vast dat op grote schaal ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht zijn gepleegd.
Maar zodra de vraag verschuift van ‘wat is er gebeurd?’ naar ‘waarom is het gebeurd?’, wordt het beeld veel minder helder.
‘Toekomstige onderzoekers doen er goed aan oog te hebben voor de beperkingen van het dossier van het Tribunaal, zeker als zij de uitspraken gebruiken om de politieke oorzaken van het geweld te reconstrueren,’ zegt Finci. ‘Het ICTY heeft een uitzonderlijk feitenarchief over het geweld opgebouwd. Maar het verhaal over waarom Joegoslavië in chaos verviel, blijft een geschiedenis met concurrerende versies. Het ontrafelen van die “waarheid” is nu vooral een taak voor historici.’