Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!

Voor de descriptieve grammatica van Nederlandse Gebarentaal (NGT) doet Ulrika Klomp onderzoek naar verschillende grammaticale fenomenen in NGT. Onlangs publiceerde ze een artikel over de gebaren en gezichtsuitdrukkingen die worden gebruikt in voorwaardelijke bijzinnen.

Eén van de manuele markeerders: het gebaar ‘stel’. (Klomp 2019: 325)

Voorwaardelijke bijzinnen geven een voorwaarde aan, en als daaraan voldaan wordt, geldt het gevolg dat in de hoofdzin wordt genoemd. Een voorbeeld is ‘Als het blijft sneeuwen, neem ik de tram’. Het eerste deel, ‘als het blijft sneeuwen’, is de voorwaardelijke bijzin. Er was nog weinig bekend over dit type bijzin in Nederlandse Gebarentaal, dus er waren nog veel vragen over hoe deze zinnen eruitzien: hoeveel manuele markeerders zijn er? Zijn er specifieke non-manuele markeringen (zoals opgetrokken wenkbrauwen) aan verbonden? En komt de bijzin altijd vóór de hoofdzin?

Opgetrokken wenkbrauwen

Voor dit onderzoek is het Corpus NGT gebruikt om zo natuurlijk mogelijke data te analyseren. Er zijn 407 zinnen geanalyseerd, waarvan 357 een manuele markeerder hadden (gebaren zoals ‘als’ en ‘stel’) en 50 zinnen niet. Het blijkt dat er minstens 7 verschillende manuele markeerders zijn, die altijd aan het begin van de voorwaardelijke bijzin staan. Het gebruik van zo’n gebaar is echter niet verplicht: er zijn ook voorwaardelijke bijzinnen waarbij alleen de non-manuele markering aanwezig is, bijvoorbeeld een gezichtsuitdrukking. Hoe ziet die eruit? Het blijkt dat de wenkbrauwen vaak opgetrokken zijn bij het gebaren van een voorwaardelijke bijzin, maar niet altijd. Ook het hoofd speelt een belangrijke rol, vaak zien we een hoofdbeweging of hoofdkanteling naar voren tijdens de voorwaardelijke bijzin.

Andere gebarentalen

Vergeleken met andere gebarentalen zijn dit geen vreemde resultaten. Ook in andere gebarentalen zijn de wenkbrauwen van belang voor het aangeven van een voorwaardelijke bijzin, en zijn er manuele markeerders die ‘als’ betekenen. Soms lijkt het echter wel alsof er meer variatie in NGT is aangetroffen, maar dan is het ook belangrijk om de verschillende methodologieën in gedachten te houden. Op basis van vertaalde zinnen en uitgelokte resultaten kan men bijvoorbeeld geneigd zijn te concluderen dat voorwaardelijke bijzinnen áltijd met opgetrokken wenkbrauwen worden gebaard, terwijl uit deze natuurlijke data blijkt dat dat niet altijd zo hoeft te zijn. Het is dus belangrijk om naar natuurlijke data te kijken, en veel uitingen van verschillende gebaarders te analyseren.

Lees het hele artikel (in het Engels)

mw. U. (Ulrika) Klomp MA

Faculteit der Geesteswetenschappen

Capaciteitsgroep Taalwetenschap