Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Switch to English

Marloes Oomen, Roland Pfau en Ulrika Klomp hebben een onderzoeksproject afgerond waarin ze zich verder verdiept hebben in ontkenning in Nederlandse Gebarentaal (NGT).

De introductie van de presentatie over neg-raising in NGT op TISLR 2019.

Na het eerste uitgebreide corpusonderzoek van Marloes Oomen en Roland Pfau naar standard negation in NGT, hebben Ulrika, Marloes en Roland de resultaten nu uitgebreid met onderzoek naar verschillende onderwerpen rondom negatie. Ze hebben hierover gepresenteerd op Syntax of the World’s Languages 8 in Parijs, Sign-Nonmanuals 2 in Graz, en Theoretical Issues in Sign Language Research 13 in Hamburg. Ook heeft het onderzoek geresulteerd in een hoofdstuk over NGT in een (nog te verschijnen) typologisch handboek over ontkenning.

Een voorbeeld van een nieuw resultaat betreft het gebruik van het morfeem ‘on-‘, een gebaar dat op de neus wordt gearticuleerd. Het gaat hierbij om een derivationeel prefix, dat een ontkennende betekenis draagt en gecombineerd kan worden met een aantal bijvoeglijk naamwoorden, bijwoorden en werkwoorden. De combinatie van ‘on’ en ‘diep’ wordt bijvoorbeeld ‘ondiep’. Het morfeem is geleend uit het Nederlands, en wordt vooral gebruikt door gebaarders uit Groningen.

Een ander voorbeeld betreft neg-raising. Zie de volgende zinnen:

a. Ik zei dat mijn zus niet zwanger is
b. Ik zei niet dat mijn zus zwanger is
c. Ik denk dat mijn zus niet zwanger is
d. Ik denk niet dat mijn zus zwanger is

Hoewel de zinnen (a) en (b) duidelijk in betekenis verschillen, zullen veel sprekers van het Nederlands geen verschil ervaren tussen de zinnen (c) en (d). Dit komt omdat men bij sommige werkwoorden, zoals ‘denken’, de ontkenning in de hoofdzin interpreteert als ontkenning in de bijzin. Dit verschijnsel noemen we neg-raising, en is nog voor weinig gebarentalen onderzocht. De onderzoekers hebben voor NGT gevonden dat zinnen met bijvoorbeeld ‘zeggen’ anders gemarkeerd worden dan zinnen met bijvoorbeeld ‘denken’. Ze hebben hierbij overigens gefocust op het hoofdschudden, en het gebaar ‘niet’ weggelaten uit dit onderzoek. Het blijkt dat in zinnen met ‘zeggen’, het hoofdschudden bij voorkeur alleen het hoofdwerkwoord begeleidt en niet de hele bijzin, omdat dit laatste ambiguïteit oplevert. Zinnen met ‘denken’, daarentegen, zouden juist wel hoofdschudden over de hele bijzin kunnen hebben – misschien geniet dat zelfs de voorkeur, dit zal in de toekomst verder onderzocht worden.

Dr. R. (Roland) Pfau

Faculteit der Geesteswetenschappen

Capaciteitsgroep Taalwetenschap

Dr. U. (Ulrika) Klomp

Faculteit der Geesteswetenschappen

Capaciteitsgroep Taalwetenschap