Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
In het basisonderwijs wordt het rekenniveau van leerlingen vaak beoordeeld aan de hand van één getal: het percentage kinderen dat het niveau 1S haalt. Onderzoek laat zien dat 1S helemaal geen stevig of duidelijk niveau is. ‘Het is bedoeld als richtlijn voor het hele onderwijssysteem, niet als een toetsnorm voor losse scholen.’

Streefniveau

De overheid heeft ooit vastgelegd wat leerlingen moeten kunnen in taal en rekenen. Voor rekenen zijn er twee belangrijke niveaus aan het einde van de basisschool:

  • 1F = het basisniveau (fundamenteel niveau)
  • 1S = het streefniveau (een hoger niveau dan 1F)

Landelijk is afgesproken dat 65 procent van de leerlingen dit niveau zou moeten behalen. Maar nieuwe analyses laten zien dat deze manier van meten én beoordelen niet klopt.

Manier van meten onbetrouwbaar

Arthur Bakker, hoogleraar Didactiek en Curriculum,  legt uit waar het precies aan schort:

‘Ten eerste is de manier waarop 1S wordt gemeten onbetrouwbaar. De verschillende doorstroomtoetsen die scholen mogen gebruiken, geven totaal verschillende uitkomsten. Bij de ene toets haalt maar een kwart van de leerlingen 1S, terwijl dat bij een andere toets bijna de helft is. Dat heeft weinig te maken met de leerlingen zelf, maar vooral met verschillen in de toetsen. Daardoor krijgen scholen soms een onterecht stempel “onvoldoende”, en dat leidt tot onrust bij leraren, ouders en schoolleiders.’

Copyright: UvA
De doelen, toetsen én manier waarop resultaten worden gebruikt moeten beter op elkaar aansluiten Arthur Bakker, hoogleraar Curriculumstudies

Streven naar 65 procent niet realistisch

Ook is het streven dat 65 procent van de leerlingen 1S haalt volgens Bakker niet realistisch. ‘Toen dit doel ruim vijftien jaar geleden werd bedacht, was het gebaseerd op beperkte gegevens. Inmiddels blijkt dat het startpunt lager lag dan gedacht. Bovendien is 1S nooit bedoeld als harde norm die scholen moesten halen’, legt hij uit.

Het gevolg is dat het rekenonderwijs vaak wordt afgerekend op cijfers die weinig zeggen over wat leerlingen echt kunnen. Dat helpt scholen en leerlingen niet verder.

Bakker en experts pleiten daarom voor een grondige herziening van het toetssysteem. ‘Eén nieuwe, gezamenlijke doorstroomtoets lost het probleem niet op. De doelen, toetsen én manier waarop resultaten worden gebruikt moeten beter op elkaar aansluiten. Pas dan krijgen we een eerlijk beeld van wat leerlingen leren en wat scholen nodig hebben’, concludeert Bakker.

Prof. dr. A. (Arthur) Bakker

Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen

Programme group: Domain Specific Learning