26 januari 2026
De overheid heeft ooit vastgelegd wat leerlingen moeten kunnen in taal en rekenen. Voor rekenen zijn er twee belangrijke niveaus aan het einde van de basisschool:
Landelijk is afgesproken dat 65 procent van de leerlingen dit niveau zou moeten behalen. Maar nieuwe analyses laten zien dat deze manier van meten én beoordelen niet klopt.
Arthur Bakker, hoogleraar Didactiek en Curriculum, legt uit waar het precies aan schort:
‘Ten eerste is de manier waarop 1S wordt gemeten onbetrouwbaar. De verschillende doorstroomtoetsen die scholen mogen gebruiken, geven totaal verschillende uitkomsten. Bij de ene toets haalt maar een kwart van de leerlingen 1S, terwijl dat bij een andere toets bijna de helft is. Dat heeft weinig te maken met de leerlingen zelf, maar vooral met verschillen in de toetsen. Daardoor krijgen scholen soms een onterecht stempel “onvoldoende”, en dat leidt tot onrust bij leraren, ouders en schoolleiders.’
De doelen, toetsen én manier waarop resultaten worden gebruikt moeten beter op elkaar aansluitenArthur Bakker, hoogleraar Curriculumstudies
Ook is het streven dat 65 procent van de leerlingen 1S haalt volgens Bakker niet realistisch. ‘Toen dit doel ruim vijftien jaar geleden werd bedacht, was het gebaseerd op beperkte gegevens. Inmiddels blijkt dat het startpunt lager lag dan gedacht. Bovendien is 1S nooit bedoeld als harde norm die scholen moesten halen’, legt hij uit.
Het gevolg is dat het rekenonderwijs vaak wordt afgerekend op cijfers die weinig zeggen over wat leerlingen echt kunnen. Dat helpt scholen en leerlingen niet verder.
Bakker en experts pleiten daarom voor een grondige herziening van het toetssysteem. ‘Eén nieuwe, gezamenlijke doorstroomtoets lost het probleem niet op. De doelen, toetsen én manier waarop resultaten worden gebruikt moeten beter op elkaar aansluiten. Pas dan krijgen we een eerlijk beeld van wat leerlingen leren en wat scholen nodig hebben’, concludeert Bakker.