‘We kunnen nu het hele jaar lang aardbeien kopen in de supermarkt, maar hoe (en waarom) zijn die daar terechtgekomen? De wortels daarvan liggen in de zeventiende en achttiende eeuw.’
31 maart 2026
‘Ja, in mijn onderzoek stel ik de vraag hoe Amsterdammers de seizoenen navigeerden in hun vroegmoderne voedselvoorziening. Ik zeg ook weleens: we kunnen nu het hele jaar lang aardbeien kopen in de supermarkt, maar hoe (en waarom) zijn die daar terechtgekomen? De wortels daarvan liggen in de zeventiende en achttiende eeuw. In elk hoofdstuk van mijn proefschrift – werktitel ‘Navigating the Seasons. Amsterdam’s Early Modern Food Provision’ – behandel ik deze vraag door in te zoomen op een voedselgroep die in dat seizoen sterk vertegenwoordigd was: lente/groenten, zomer/fruit, herfst/rundvlees, winter/gepreserveerd eten.’
‘Seizoenbepaaldheid is altijd benoemd in voedsel-historisch onderzoek en als belangrijk aangeduid, zo is vaak benoemd dat de herfst een belangrijke oogsttijd van graan was. Toch speelt het vervolgens alleen op de achtergrond een rol. De seizoenen en de omgang daarmee kregen daardoor een statisch karakter, terwijl ik in de bronnen zag dat ze de vroegmoderne mensen enorm bezighielden: het jaar werd gestructureerd naar dit cyclische ritme en ondertussen werd er gesleuteld aan de voedselvoorziening om de afhankelijkheid van dat ritme te verminderen.’
‘Ik hoop dat lezers van mijn onderzoek worden aangezet om na te denken over de menselijke verwikkeling met de omgeving – in dit geval met betrekking tot de invloed van de seizoenen op ons eten. In eerste instantie wil ik daarbij laten zien hoe vormend seizoenen in de vroegmoderne periode waren als ordenend principe: mensen structureerden hun jaar naar de seizoenen en moesten plannen maken voor de winter als algemeen moment van schaarste.
De gemiddelde Amsterdammer was zich in de vroegmoderne tijd heel bewust van haar verwikkeling met de omgeving omdat die noodzakelijk was om te overleven. We kunnen het verleden daarom niet los zien van dat cyclische ritme. Het bestuderen van voedselgeschiedenis door een seizoenenlens levert dan ook nieuwe inzichten op. Zo is er weinig bekend over de rol van huishouders in het bewaren en preserveren van eten, maar dat was cruciaal werk, afhankelijk van kennis en vaardigheden zonder welke men de winter niet doorkwam.
Tegelijkertijd vond men in de vroegmoderne periode ook in toenemende mate beweegruimte binnen die seizoensverwikkeling. Zo werden er manieren gevonden om de seizoenen van eten ‘op te rekken’, bijvoorbeeld met behulp van broeikastechnieken. Maar ook door de professionalisering van bewaar- en preserveertechnieken kon er steeds meer voedsel buiten het seizoen gegeten worden.
Hier liggen dus de beginselen van waar we ons nu bevinden: in een tijd waarin we, in een land als Nederland, theoretisch elke week van het jaar dezelfde gerechten op tafel kunnen zetten. We bevinden ons ook in een tijd waarin stadse kinderen schooltuintjes en uitstapjes naar boerderijen nodig hebben om te begrijpen wat eten is en waar het vandaan komt, en sommige volwassenen actief op zoek gaan naar ‘leven met het ritme van de seizoenen’; een tijd waarin we zien dat er balans nodig is in het bewerken van onze natuurlijke omgeving, dat monocultuur een prijs heeft en de landbouw zoals we die kenden aan verandering toe is.
Daarnaast vind ik het belangrijk om het genuanceerde verhaal te laten zien dat ik aantrof in mijn onderzoek: die ‘loskoppeling’ van de seizoenen is niet alleen uit te leggen via het mechanistisch en kapitalistisch denken, waarbij de natuur onderworpen kon worden voor eigen gewin. Er waren alledaagse uitdagingen die dergelijke ontwikkelingen stimuleerden, zoals de exponentieel groeiende bevolking die gevoed moest worden.
Met de stedelijke uitbreidingen schoof het achterland van de stad steeds meer op, waardoor productie steeds specialistischer in de periferie plaatsvond. Als je je vervolgens als stedeling steeds minder afhankelijk voelt van je omgeving, dan vinden mechanisch en kapitalistisch denken een voedzamere bodem om wortel te schieten.
Timothy Snyders werken On Tyranny en On Freedom en zijn politieke commentaren op Substack vind ik knap en moedig geschreven, en krachtig onderbouwd – vol nuance maar kraakhelder over de waarheid. Voor mij is hij een goed voorbeeld van hoe waardevol historici kunnen zijn voor het bouwen aan de toekomst.
Eten werd dus steeds toegankelijker, maar wel ten koste van die bewuste seizoensverwikkeling. Ik denk dat die kennis ons ook kan helpen in het bouwen aan de toekomst. Ik heb trouwens zelf nog geen concrete ideeën over de uitvoering daarvan, maar zoals altijd bij bouwen aan oplossingen is het herkennen van een uitdaging de eerste stap.’
‘Er zijn verschillende historici (en filosofen) van wie ik hun werk ik als heel inspirerend beschouw. Het werk van dé cultuurhistoricus Johan Huizinga bijvoorbeeld, wiens schrijfstijl en ideeën over ‘historische sensatie’ me al vanaf de bachelor Geschiedenis interesseerden; microhistoricus Carlo Ginzburg’s De kaas en de wormen is ook zo’n voorbeeld. Werken waarin mensen en niet-mensen uit het vroegmoderne verleden een stem krijgen die anders niet gehoord wordt, werken waarin het onzichtbare zichtbaar wordt, die trekken vaak mijn aandacht. Voor de uitvoering daarvan is originaliteit en moed nodig.
Ik denk bijvoorbeeld ook aan werk van dier-mens historici zoals Erica Fudge, Marcy Norton en Thomas Almeroth-Williams, en aan Pamela Smith bijvoorbeeld, die reconstructie als methode omarmt (en wiens onderzoek me handvatten bood om tijdens de Research Master vroegmoderne kaas te maken). Maar ik heb ook geluk met mijn promotoren Danielle van den Heuvel en Djoeke van Netten, die beide bekend zijn met die zoektocht naar het minder zichtbare verleden.
Uiteindelijk vond ik in werk van Bruno Latour, en van andere neo-materialisten zoals Donna Haraway, veel houvast voor mijn kijk op het verleden (en de wereld überhaupt): als bestaande in een constante wisselwerking, waarbij agency weliswaar niet gelijk verdeeld is maar wel overal te ontdekken is. Dat heeft mijn interesse in een milieu-gerichte en meer-dan-menselijke blik aangewakkerd, waarbij werken van milieuhistorici zoals William Cronon, Donald Worster en Karl Appuhn invloedrijk zijn geweest.
Tot slot wil ik nog iemand noemen met wiens meest wetenschappelijke werk ik eigenlijk helemaal niet zo bekend ben, maar wiens meer publieke werk ik erg bewonder, namelijk Timothy Snyder. Timothy Snyders werken On Tyranny en On Freedom en zijn politieke commentaren op Substack vind ik knap en moedig geschreven en krachtig onderbouwd – vol nuance maar kraakhelder over de waarheid. Voor mij is hij een goed voorbeeld van hoe waardevol historici kunnen zijn voor het bouwen aan de toekomst.’
‘Ik vind de herschrijfmodus, waarin ik me nu bevind, een heel leuke en interessante fase, omdat alles steeds meer op z’n plek valt. Het komt nu echt samen, als een verhaal van A tot Z, waarbij ik al dat materiaal en al die ideeën van de afgelopen jaren met elkaar mag verbinden, in een passende structuur mag plaatsen, en mag spelen met de juiste verwoordingen. Dat is soms heel erg zoeken, maar het maakt me enthousiast.
Ik schrijf ook veel met de hand om m’n gedachten te ordenen en ik werk met briefjes op m’n muur om me op een meer fysieke manier tot de structuur te verhouden. Rondjes lopen en met m’n laptop van locatie veranderen helpen me ook.
Het lastigst van deze fase is het begin van het herschrijven van een hoofdstuk. Dan moet ik m’n weg zien te vinden in het materiaal en de ideeën van soms jaren geleden. Vooral wanneer je net een hoofdstuk hebt afgerond, voelt dat dan als een behoorlijke speedbump. Dan kan het best lastig zijn om mezelf te motiveren, maar het ingewikkelde én mooie van een proefschrift schrijven is dat je jezelf zo vaak tegenkomt dat je wel moét leren omgaan met dat soort uitdagingen.
Zo kan ik inmiddels steeds beter accepteren dat die werkmomenten vragen om een andere versnelling, met een andere werkwijze. Mij helpt het dan om eerst boven de tekst ‘te gaan hangen’ in plaats van meteen in het herschrijven te duiken. Ik schrijf een argumentatieschema en schets de structuur en vervolgens knip en plak ik oude schrijfsels in die structuur. Ik schrijf ook veel met de hand om m’n gedachten te ordenen en ik werk met briefjes op m’n muur om me op een meer fysieke manier tot de structuur te verhouden. Rondjes lopen en met m’n laptop van werkplek veranderen helpen me ook.’
‘Ik ben, denk ik, het trotst op mijn enthousiasme, creativiteit en doorzettingsvermogen, want zonder die eigenschappen had ik dit proefschrift nooit kunnen schrijven. Maar het blijst ben ik met mijn nieuw ontwikkelde acceptatievermogen: acceptatie van het feit dat iedereen een eigen proces heeft en dat je op jouw proces mag vertrouwen, ook als het even niet zo gaat als je had verwacht. Dat vermogen heb ik tijdens dit proefschrift mogen ontwikkelen en wil ik blijven oefenen, het is namelijk een hele opluchting én het maakt alles leuker en ook nog eens productiever.’
Het liefst zou ik een meer materiële component in mijn werk inbrengen. Ik heb een achtergrond in autonome kunst (Rietveld Academie) en ik mis de meer fysieke verhouding tot mijn werk.
‘Het liefst zou ik een meer materiële component in mijn werk inbrengen. Ik heb een achtergrond in autonome kunst (Rietveld Academie) en ik mis de meer fysieke verhouding tot mijn werk. Ik hoop de komende jaren te oefenen in het vinden van een passende vorm. Misschien wil ik proberen in een meer museale context te werken of een reconstructiecomponent in mijn onderzoek op te nemen. Het kan ook betekenen dat ik meer ruimte voor vrij werk wil vinden naast onderzoeks- en schrijfwerk. Verder zou ik, na dit individuele project, ook graag eens meer met anderen werken aan een project en dus meer leren door samen te werken.’
‘Eerst ga ik door de Italiaanse Alpen reizen met mijn man en vierjarige dochter om de afronding te vieren en ruimte te maken voor het volgende. Er staat inmiddels ook al een postdoc klaar voor september, waarin ik verder ga met het seizoensthema alleen dan in de context van licht. Waar ik dat precies ga doen is nog even geheim.’