Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Switch to English

Hoog Catharijne in Utrecht, de omgeving van het Leidseplein in Amsterdam en het Spuikwartier in Den Haag, het zijn plekken die de grootse toekomstdromen van de jaren zestig herbergen. De auto, diensten- en consumptiemaatschappij rukten op en projectontwikkelaars pleitten voor binnensteden die hier ruim baan voor maakten. Met wisselend succes, ontdekte historicus Tim Verlaan, die de rol van commerciële partijen in het vormgeven van stadsvernieuwing tegen het licht hield. Vrijdag 24 juni promoveert hij aan de Universiteit van Amsterdam.

Flickr CC, r.g-s
Bron: Flickr CC, r.g-s

Met de toegenomen welvaart na de wederopbouw staken in de jaren zestig wilde toekomstscenario’s de kop op. De consumptie nam toe en de auto rukte op, wonen en werken hoefden niet langer in elkaars buurt te geschieden. En de aard van het werk veranderde, van fabriek of kruidenier verplaatsten mensen zich naar kantoorgebouwen, waar vandaan ze diensten leverden.

Dat die ontwikkelingen hun weerslag zouden vinden in het functioneren van steden was duidelijk, maar hoe die veranderingen vormgegeven moesten worden, was een vraag waar veel bestuurders en ambtenaren geen raad mee wisten. Op de kantoren van projectontwikkelaars daarentegen, kwamen in de jaren zestig juist experts uit allerlei disciplines samen. Sociaal geografen, planologen, economen en architecten bundelden hun kennis en kwamen met initiatieven voor nieuwbouw in de binnenstad. Brede straten en grote winkel-, hotel- en kantorencomplexen moesten Nederlandse steden toekomstbestendig maken. Verlaan: ‘De lokale politiek zat met de handen in het haar en was ontvankelijk voor de wervende presentaties over de binnenstad van de toekomst.’

Calimerocomplex

Die ontvankelijkheid leidde in het geval van de gemeente Utrecht bijvoorbeeld in 1964 tot het tekenen van een contract voor de bouw van Hoog Catharijne. Zowel bestuur als burgers waren aanvankelijk enthousiast over het overdekte winkel- en kantorencentrum dat het drukste treinstation van Nederland met de binnenstad zou verbinden. Verlaan: 'Utrecht leed aan een Calimerocomplex tegenover de rest van de Randstad en maakte graag plaats voor Hoog Catharijne, in die tijd het grootste winkel- en zakencomplex van West-Europa.' De gemeente tekende het contract, verpachte de grond voor honderd jaar en niemand lag wakker van de sloop van de negentiende-eeuwse stationswijk die plaats moest maken voor het complex.

Rond 1970 slaat het sentiment om. Meer en meer jongeren vinden hun weg naar de universiteit en dat brengt een influx van kritisch denkers met zich mee die een alternatief toekomstbeeld schetsen. Een toekomst waarin nieuwe noties als kleinschaligheid, authenticiteit en gezelligheid voorop staan. Ook monumentenbeschermers, krakers en jonge politici komen in verzet en langzaam winnen zij de publieke opinie voor zich. De gemeente probeert de projectontwikkelaar voorzichtig op andere ideeën te brengen voor het gebied, maar die wil daar niets van weten en wuift met een ondertekend contract dat daar recht toe geeft. 

Naast de casus van Hoog Catharijne, onderzocht Verlaan archieven om de discussies tussen bestuurders, projectontwikkelaars en burgers te reconstrueren bij projecten in Amsterdam en Den Haag. In Amsterdam getuigen de negentiende-eeuwse voormalige kerk Paradiso en voormalige jeugdgevangenis de Balie van een andere onderhandelingsuitkomst dan in Utrecht het geval was. Projectontwikkelaar Nicolaas Bouwes wilde de gebouwen afbreken om plaats te maken voor een winkel- en hotelcomplex dat in de media tot 'Klein Hoog Catharijne' werd gedoopt. Maar in de hoofdstad kwam het verzet sneller op gang. Buurtbewoners maakten alternatieve plannen voor een ‘sjiek én sjofel' cultuurplein en jongerenbeweging Provo kraakte de kerk. Uiteindelijk trok de projectontwikkelaar bakzeil en zijn de maquettes nooit gematerialiseerd.

De toerist van nu is de auto van toen

Gemeenten hebben lessen getrokken uit het debacle van Hoog Catharijne, ziet Verlaan. ‘Vooral de aanname dat de toekomst zich laat voorspellen, hebben we los gelaten. In bouwprojecten worden geen jarenlange verbintenissen aangegaan, maar juist momenten ingebouwd om gaandeweg bij te sturen.' Daarnaast zijn de talrijke voorlichtings- en inspraakavonden ingesteld om bewoners te betrekken bij besluitvorming over hun buurt.

Toch bieden de casussen volgens Verlaan nog een inzicht dat vooral bij de gemeente Amsterdam niet lijkt te zijn ingedaald. 'De toerist van nu is de auto van toen. De projecten die ik beschrijf laten zien dat je als stadsbestuur niet klaar hoeft te gaan liggen om die auto over je heen te laten denderen. Hetzelfde geldt voor de toerist, dat is geen in aantocht zijnd monster waar je maar eindeloos meer hotels voor moet blijven bouwen. Je kunt daar zelf keuzes in maken en bijvoorbeeld inzetten op het behoud van de sociale mix die de stad oorspronkelijk zo bijzonder maakte.'

Promotiegegevens

Dhr. T. Verlaan: De Toekomst van de Nederlandse binnenstad, 1960-1978. Promotor is prof. dr. J.C. Kennedy (Universiteit Utrecht). Copromotoren zijn dr. P.A. Brouwer en prof. dr. W.J.H. Furnee (Radboud Universiteit Nijmegen).

Tijd en locatie

De promotie vindt plaats op vrijdag 24 juni, 10.00u.
Locatie: Aula van de UvA, Singel 411, Amsterdam.