Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Nederland staat historisch te boek als een tolerant en progressief land als het gaat om ons drugsbeleid. We zijn wereldberoemd geworden als ‘drugsparadijs’ met het gedogen van cannabisverkoop en methadonverstrekking aan heroïneverslaafden. Het Nederlandse beleid werd echter niet ingegeven door een tolerante, niet-moralistische visie. De belangrijkste drijfveer was het beperken van overlast, laat historicus Arjan Nuijten zien. In zijn promotieonderzoek zoomt hij in op Amsterdam, Arnhem en Heerlen. Hieruit komt naar voren dat het Nederlandse drugsbeleid niet op nationaal niveau tot stand kwam, maar grotendeels is gevormd door lokale reacties op wat er binnen gemeentes speelde. Nuijten promoveert op dinsdag 23 april aan de Universiteit van Amsterdam.

Het verhaal dat Nuijten schetst, begint eind jaren 60 van de vorige eeuw als – met de opkomst van cannabis en heroïne – drugsgebruik als een probleem wordt bestempeld. Door Amsterdam, Arnhem en Heerlen met elkaar te vergelijken laat Nuijten zien hoe verschillend de reacties en daarmee het beleid was in verschillende delen van het land. ‘Om Amsterdam kun je natuurlijk niet heen’, vertelt Nuijten over zijn keuze voor de drie steden. ‘Drugs zijn zo verweven met het beeld dat mensen hebben van Amsterdam. Maar ik wilde nadrukkelijk de focus niet op de randstad leggen. Arnhem en Heerlen kregen net als Amsterdam al vroeg te maken met de opkomst van cannabis en heroïne. Bovendien kon ik door hun ligging een goed beeld krijgen van de rol die grensdynamiek speelt.’

Foto: Rob Bogaerts / Anefo (Nationaal Archief, CC0)
Foto: Rob Bogaerts / Anefo (Nationaal Archief, CC0)
De initiële reactie van Paradiso op beschuldigingen van drugshandel. Iets later zou een huisdealer echter getolereerd worden.Foto: Bert Verhoeff / Anefo  (Nationaal Archief, CC0)
De initiële reactie van Paradiso op beschuldigingen van drugshandel in Paradiso. Iets later zou een huisdealer echter getolereerd worden.Foto: Bert Verhoeff / Anefo (Nationaal Archief, CC0)

De huisdealer

Bij de eerste pogingen om eind jaren 60 cannabisbeleid vorm te geven, ontstond een specifiek Nederlands fenomeen: de huisdealer. Nuijten: ‘Daarbij denk je nu aan iemand die op zijn scooter je cocaïne komt brengen, maar de huisdealer was iemand die het gebruik en de verkoop van cannabis in jeugdcentra in goede banen moest leiden. Jeugdcentra, bijvoorbeeld Paradiso in Amsterdam, waren in die tijd dé plek voor jongeren om bij elkaar te komen. De getolereerde verkoop van cannabis door huisdealers was onder meer bedoeld om harddrugs buiten de deur houden.’ Huisdealers werden echter niet in alle jeugdcentra toegestaan en zowel in Arnhem als in Heerlen werden ze geweerd.

Wildgroei aan coffeeshops

Vanaf begin jaren 80 breidden coffeeshops zich in een razend tempo uit over heel Nederland en kwam een eind aan het huisdealerfenomeen. Er werd handig gebruik werd gemaakt van afgezwakte vervolgingsrichtlijnen in de Opiumwet die eigenlijk betrekking hadden op de huisdealers. ‘De coffeeshop was dan ook een onverwachts resultaat, niet iets dat door beleidsmakers bedacht of gewenst was’, schetst Nuijten. ‘Al snel ontstond discussie of we deze winkels wel moesten tolereren. Niet bij de nationale overheid, want die heeft de opmars jarenlang onderkend. Op lokaal niveau kwam er al snel weerstand, vooral ingegeven door overlast voor omwonenden, vooral als er te veel coffeeshops in dezelfde buurt kwamen. Zo telde de Hommelseweg in Arnhem op een zeker moment enkele tientallen coffeeshops – een magneet voor vooral Duitse toeristen natuurlijk. Gemeentes zoals Arnhem probeerden te voorkomen dat coffeeshops zich vestigden door te experimenteren met nieuwe regels.’

Legale voordeur, illegale achterdeur

Tegelijkertijd waren coffeeshops belangrijk voor de gewenste scheiding tussen soft- en harddrugs. Steden hoopten daarom op een duidelijk beleid vanuit de nationale overheid. De drugsnota van 1995 bracht echter geen verlossing: coffeeshops bleven voor de wet illegaal, maar werden nu officieel gedoogd. Nuijten: ‘In de dertig jaar die daarop volgde, is er op landelijk niveau niets meer veranderd. Het lokale beleid loopt daardoor nog steeds vast. Want hoe regel je het als je deel van de branche wel moet bestrijden, of overlast wilt aanpakken?’ Recent is in een aantal steden het wietexperiment (Experiment gesloten coffeeshopketen) gestart, waarmee het kabinet wil onderzoeken of coffeeshops van legaal gekweekte cannabis voorzien kunnen worden. Arnhem en Heerlen doen mee aan het experiment.

Omstreden methadonverstrekking

Het heroïnegebruik nam in Nederland iets later een vlucht dan dat van cannabis, vanaf het begin van de jaren 70. De reacties op landelijk niveau waren traag, maar binnen gemeentes ontstonden initiatieven om heroïnegebruikers te helpen, net als bij de coffeeshops meestal in reactie op overlast. Veelbelovend, maar omstreden, was methadonverstrekking. Nuijten: ‘In de jaren 80 en 90 bereikte het heroïnegebruik in Nederland een hoogtepunt en kregen we te maken met hiv en aids. Dat nam twijfels over methadonverstrekking weg en harm reduction werd als concept geboren. Lokale bestuurders wilden iets anders dan een repressieve aanpak. Er kwamen spuitenruilprogramma’s, gebruikersruimtes en uiteindelijk ook dag- en nachtopvangcentra. Tegen de invoering van deze programma’s werd echter ook geprotesteerd, hoewel iedere stap verbetering betekende. Uiteindelijk is die aanpak heel succesvol gebleken. Daar mogen we trots op zijn.’

Nieuwe trends

Nuijten onderzocht de geschiedenis van het Nederlandse drugsbeleid tot 2001. Anno 2024 ligt probleemdrugsgebruik niet meer bij heroïne. Mede hierdoor staan harm reduction-maatregelen nu onder druk, vreest Nuijten. ‘Als ze verdwijnen, zijn we niet goed voorbereid op andere druggerelateerde crises. Trends kunnen zich snel ontwikkelen en er zijn ondertussen heel veel middelen bijgekomen – fentanyl, oxy, crystal meth, GHB, 3-MMC, lachgas, noem ze maar op.’

Spierballentaal

We hebben volgens Nuijten in Nederland nog onvoldoende maatregelen voor de nieuwere drugs. ‘De eerste reactie uit Den Haag is vaak in spierballentaal: verbieden. Er is geen duidelijke visie voor de toekomst en praktische zaken worden ook in deze tijd nog steeds overgelaten aan gemeente en regio. Uit de geschiedenis blijkt dat er veel mogelijkheden zijn voor gemeentes, maar ook dat er duidelijk grenzen aan zitten. Het is daarom cruciaal dat nationaal beleid meebeweegt.’