2 februari 2026
Als het gaat om de woonomstandigheden van EU-arbeidsmigranten is in onderzoek tot dusver een vrij uniform en statisch beeld geschetst. Loomans brengt daar verandering in door de woonsituaties van migranten over een langere periode te volgen en verschillen in hun woonpaden in kaart te brengen.
‘Voor veel arbeidsmigranten blijkt Nederland geen korte tussenstop’, vertelt Loomans. ‘Meer dan de helft blijft langdurig. Dan moet je denken aan minstens zes jaar, maar vaak nog langer. Steeds meer van hen vestigen zich in landelijke en voorstedelijke gebieden. In beleidsdiscussies worden deze plekken gezien als aankomstlocaties, maar de migranten die langer in Nederland blijven werken, blijven meestal in hetzelfde type gebied wonen als waar ze begonnen zijn. Ook wordt vaak verondersteld dat ze van ondermaatse woonomstandigheden doorstromen naar betere, stabielere huisvesting, maar voor een grote groep blijft deze vooruitgang uit.’
Vaak wordt woononzekerheid toegeschreven aan de rol die uitzendbureaus spelen in het huisvesten van arbeidsmigranten, maar Loomans laat zien dat woononzekerheid niet beperkt is tot migranten die via een uitzendbureau werken. Zij verblijven niet significant vaker langdurig in gedeelde of informele huisvesting dan migranten die niet via een uitzendbureau werken. Loomans: ‘Hoewel er veel mistanden bestaan bij migranten die via een uitzendbureau wonen en werken, kun je de problematiek rondom de slechte woonomstandigheden dus niet uitsluitend toeschrijven aan de uitzendbureaus. Het gaat om bredere structurele problemen op de arbeids- en woningmarkt.’
Bovendien bestaan er grote verschillen in de woonpaden van EU-arbeidsmigranten, zag Loomans. Die verschillen hangen vooral samen met sociaal-demografische kenmerken. ‘Oudere migranten en migranten met een relatief laag inkomen hebben een grotere kans om langdurig in precaire omstandigheden te wonen. Tegelijkertijd is er ook een groep arbeidsmigranten die er wel in slaagt om stabiele huisvesting te vinden en een prettig bestaan in Nederland op te bouwen. Dé arbeidsmigrant, als stereotype, bestaat dus niet’, concludeert Loomans.
Onzekere en onveilige woonomstandigheden kunnen langdurige effecten hebben op het leven van arbeidsmigranten. Loomans laat zien dat dit niet alleen het gevolg is van extreme situaties zoals (dreigende) dakloosheid, maar ook voortkomt uit ervaringen met bijvoorbeeld ondermaatse woningen of onbekende kamergenoten. Zulke ervaringen kunnen een blijvend referentiekader worden: mensen accepteren latere, nog steeds precaire woonsituaties omdat die ‘beter zijn dan wat ze eerder meemaakten’. Zelfs wanneer de materiële omstandigheden verbeteren, kan het gevoel van onzekerheid en onveiligheid nog lang blijven doorwerken. ‘Die ervaringen beïnvloeden hoe mensen plannen maken, risico’s nemen en hun toekomst vormgeven’, licht Loomans toe.
Loomans stelt dat de veronderstelling dat de arbeidsmigranten slechts tijdelijk in Nederland verblijven heeft bijgedragen aan het legitimeren van ondermaatse, kortetermijnoplossingen zoals grote ‘hotels’ buiten gemeentegrenzen of containerwoningen op het terrein van de werkgever. Daarbij worden werk en huisvesting vaak bewust aan elkaar gekoppeld, waardoor woonzekerheid afhankelijk wordt van een baan.
Arbeidsmigranten die lang in Nederland blijven, worden burgers die stabiele huisvesting nodig hebben. Ze hebben niet alleen een dak boven hun hoofd nodig, maar ook een plek die maatschappelijke participatie en welzijn bevordert.UvA-sociaal geograaf Dolly Loomans
We hebben volgens Loomans een bredere visie nodig, met meer aandacht voor de toegankelijkheid van de woningmarkt en de onzekerheid op de arbeidsmarkt. ‘Zolang arbeidsmigranten te maken hebben met flexibele contracten en inkomensonzekerheid, en werk en wonen sterk aan elkaar gekoppeld blijven, is toegang tot stabiele huisvesting moeilijk en blijft woononzekerheid een structureel probleem.’
Loomans deed haar onderzoek met een mixed-methods-benadering: ze maakte een kwantitatieve analyse van bevolkingsregistergegevens van geregistreerde EU-arbeidsmigranten (in laag- en goedbetaalde functies) en ze hield biografische diepte-interviews met 28 Poolse migranten in Nederland. Ze koos voor de interviews voor Poolse migranten, omdat deze groep een langere migratiegeschiedenis heeft in Nederland.