8 april 2026
Televisie begon in Nederland in een tijd van ‘culturele bezorgdheid’: televisie moest ‘hoge kunst’ brengen, en kindertelevisie moest educatief zijn. In de eerste periode, de NTS-periode (1951-1969), werd televisie-illustratie vooral gemaakt door freelance illustratoren die boekillustratie als uitgangspunt namen. Hoogland: ‘In bijvoorbeeld het bijbelprogramma Woord voor Woord of in de items in Uit Oma’s Kabinet waren illustraties – net als hoge kunst uit die tijd – verhalend. Maar ze waren ook meteen al gevormd naar de eisen van televisie, zoals zwart-wit en 4:3-beeldformaat. In deze periode groeide tv-illustratie van pionierswerk uit tot een nieuw cultureel werkveld met eigen werkwijzen.’
Tijdens de NOS-periode (1969-1988) kregen kinderen meer autonomie in jeugdliteratuur, film en jeugdtelevisie. In kunst en media kwam de avant-garde op, waarbij de aandacht van het verhaal naar het medium zelf werd verlegd. Dit is terug te zien in geïllustreerde kinderprogramma’s als De Vloek van Woestewolf, waarin acteurs via een green screen in een volledig getekend decor staan. ‘Het was een bloeitijd voor geïllustreerde kindertelevisie’, vertelt Hoogland. ‘De illustratoren in dienst van de NOS kregen veel opdrachten en hadden veel artistieke vrijheid. Zo gaf Sesamstraat een continue stroom aan opdrachten, en er werden zelfs korte animaties met stop motion gemaakt voor onder andere De film van ome Willem en het op oudere tieners gerichte seksueel voorlichtingsprogramma Open en Bloot. Stop motion was echter duur en tijdrovend, en de invloed van boekillustratie bleef nog steeds sterk.’
In de tijd dat de NOS in 1989 privatiseerde naar het NOB, gingen de meeste illustratoren met pensioen. Zij maakten plaats voor een nieuwe generatie freelance animatoren. De eerste volledig geanimeerde serie Alfred Jodocus Kwak werd gemaakt en er werden nieuwe disciplines toegevoegd aan het werkveld, zoals computeranimatie in Purno de Purno. Maar daarnaast bleef ook deze nieuwe generatie ‘traditionele’ illustraties maken, zoals het programma Jarig, een adaptatie van de verhalen van Toon Tellegen.
In haar onderzoek keek Hoogland naar zo’n 600 programma’s, afleveringen en items, waarvan een groot deel bijna in de vergetelheid is geraakt, en ze plaatst deze in een brede culturele context. Daarbij neemt ze media voor de jeugd even serieus als media voor volwassenen.
Hoogland: ‘De programma’s waren onderdeel van de opvoeding van zo’n beetje iedereen die in Nederland opgroeide tussen 1951 en 1996. Daarmee vormen ze een belangrijk onderdeel van onze cultuurgeschiedenis en dus ons cultureel erfgoed.’