17 februari 2026
‘Wie onderzoekt hoe samenlevingen omgaan met oorlog en geweld, kan niet om honger heen, zegt Van Mourik. ‘Het speelt op meerdere niveaus een sleutelrol: het heeft invloed in een oorlog, invloed op het moreel, het kan worden ingezet als machtsmiddel en is tegelijkertijd een gevolg van oorlog.’
Duitsland kende in de twintigste eeuw twee langdurige periodes van ondervoeding: van 1914 tot 1924, en opnieuw tussen 1945 en 1949. ‘Met dit onderzoek wilde ik heel graag achterhalen wat de maatschappelijke en politieke nasleep van deze hongerervaringen was.’
Om dit in kaart te brengen, onderzocht Van Mourik schoolboeken, tentoonstellingen, jeugdbladen en kranten uit Duitsland vanaf de Eerste Wereldoorlog tot en met de jaren negentig. ‘Door de jaren heen zie je duidelijk dat er op verschillende manieren over honger wordt gesproken’, legt ze uit. ‘Tijdens de Eerste Wereldoorlog ontstond het verhaal dat Duitsland de strijd had verloren door de economische blokkade van de Britten. Die blokkade was volgens de Duitsers inhumaan, omdat het moreel van de burgers erdoor werd aangetast en ze daardoor wilden opgeven.’
Volgens Van Mourik won dit idee na de oorlog aan kracht: Duitsland zou de oorlog niet verloren hebben op het slagveld, maar aan de keukentafel. ‘Het is belangrijk om te benadrukken dat dit een mythe is’, zegt Van Mourik. ‘Er waren tal van andere redenen waarom Duitsland de Eerste Wereldoorlog verloor. Desondanks zie je deze verklaring tot de dag van vandaag terugkomen in de literatuur. Bovendien had dit idee grote invloed op de politiek en de maatschappij in de jaren daarna.’
Die invloed is al zichtbaar in de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog. Voedselzekerheid was voor Hitler cruciaal: de Duitse overheid was vastbesloten dat het land niet opnieuw honger mocht lijden. ‘De hongerervaringen uit de Eerste Wereldoorlog droegen bij aan beleid dat in nazi-Duitsland nieuw lijden legitimeerde’, aldus Van Mourik. ‘Joodse en Slavische bevolkingsgroepen werden bestempeld als ‘nutteloze eters’ en doelbewust uitgehongerd.’
Het naziregime wees Joden, communisten en pacifisten aan als schuldigen voor het verlies van de Eerste Wereldoorlog, omdat zij het hongergevoel zouden hebben aangewend om mensen tegen de oorlog op te zetten. ‘Dit beeld zie je heel duidelijk terug in schoolboeken uit die periode’, zegt Van Mourik. De gevolgen van deze beeldvorming waren volgens haar immens. ‘Een centrale vraag in mijn onderzoek was hoe het mogelijk werd dat grote delen van de bevolking accepteerden dat andere groepen werden uitgehongerd. De normalisatie en legitimering daarvan in schoolboeken en kranten speelden daarin een belangrijke rol. Er ontstond een identiteitsgevoel waarin het vanzelfsprekend leek dat sommige groepen meer recht hadden op voedsel dan andere.’
Na de Tweede Wereldoorlog verandert de representatie van honger opnieuw. ‘Vanaf dat moment wordt honger opnieuw ingezet om ideologische boodschappen over te brengen’, stelt Van Mourik. In de context van de Koude Oorlog presenteerden schoolboeken in de DDR de Eerste Wereldoorlog, de Weimarrepubliek en de Tweede Wereldoorlog als één aaneengesloten periode van fascisme en uitbuiting van arbeiders. Honger werd daarbij voorgesteld als logisch gevolg, terwijl het socialisme als oplossing fungeerde. In West-Duitsland gebeurde iets vergelijkbaars, maar daar werden juist de vrije democratie en de band met de Verenigde Staten als antwoord op het verleden gepresenteerd.
‘Wat mij tijdens dit onderzoek vooral opviel, is dat er telkens op een andere manier over honger wordt gesproken, met telkens andere, maar zeer concrete, gevolgen’, concludeert Van Mourik. ‘Specifiek in het Duitse geval zie je vanaf 1990 bovendien een verwrongen beeld van het eigen leed, waarbij het voor auteurs moeilijk blijkt om dat expliciet en kritisch te verwoorden.’