25 augustus 2026
Arend Quak, Aad voor studenten en collega’s, was een polyglot pur sang. Niet alleen beheerste hij vele moderne talen, voor het Oudzweeds, Gotisch, Oudfries, Oudnederlands, Oudhoogduits en Oudsaksisch draaide hij evenmin zijn hand om. Toen eind jaren 1990 het pensioen naderde van docente en vertaalster van het Oudijslands en modern IJslands, Paula Vermeyden, schoof Aad aan bij haar colleges Oudnoords. Hij besloot ook de colleges te volgen waar derde- en vierdejaarsstudenten Scandinavische talen onder begeleiding van Paula delen uit de Eyrbyggjasaga en de Laxdælasaga vertaalden. Met bewondering zagen zij hoe snel Aad zich die ‘nieuwe’ oude taal eigen maakte. “Ach”, merkte hij schuchter op, 'als je al zes van die oude talen kent, dan is die zevende een makkie'.
Kort daarna nam Aad de colleges Oudnoords over en die zou hij blijven verzorgen tot zijn pensioen in 2011. Niet alleen voor het Oudnoords, ook voor het Oudzweeds en de Runologie wist hij de studenten te enthousiasmeren. Die colleges bood hij om beurten aan, en op verzoek was hij ook best te porren voor een collegereeks Gotisch. De colleges van Aad gingen nooit alleen over taal. Hij toonde studenten dat die oude teksten veel raakvlakken hadden met disciplines als de middeleeuwse geschiedenis, de (plaats)naamkunde en de rechtsgeschiedenis. Het moge duidelijk zijn: Aad beschikte over een grote kennis op velerlei terreinen. Die kennis deelde hij graag, en hoe! Niet zelden diste hij tijdens zijn colleges smakelijke anekdotes op waardoor studenten het gevoel kregen dat hun docent zelf bij de middeleeuwse medemens had vertoefd. Maar zo oud was Aad nu ook weer niet.
Aad was niet alleen een bevlogen docent, maar ook een erudiet en zeer productief onderzoeker, die bijdragen leverde aan het woordenboek van het Oudnederlands en decennialang redacteur was van het tijdschrift Amsterdamer Beiträge zur älteren Germanistik. Ook werd hij veel gevraagd als spreker op congressen in binnen- en buitenland. Aad was desalniettemin zeer bescheiden over zijn bijdrage aan de wetenschap, die hij ook wel omschreef als “decennialang gepuzzel met onbegrijpelijke woordjes”. Hij betrok ook zijn echt- en vakgenote Julia Stoilova bij zijn onderzoek. Julia, privaatdocente Bulgaars bij de opleiding Slavisch, vulde zijn gepuzzel graag aan met voorbeelden uit de Slavische talen.
Zichtbaar trots was Aad toen hem in 2005 gevraagd werd lid te worden van de KNAW en even zo verguld was hij drie jaar later met zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar in de Oud-Germaanse filologie in Leiden. Dat hij zijn oratie over de zogeheten de Malbergse Glossen uit de Lex Salica uit de zesde eeuw – een tekst die gezien wordt als de bron van het Oudnederlands – lardeerde met hoogst vermakelijke citaten, was illustratief voor de manier waarop hij zijn toehoorders, wist te onderhouden of dat nu medeonderzoekers of studenten waren. Dat hij zich in diezelfde oratie ook expliciet tot zijn moeder richtte, aan wie hij al eerder zijn toga had ‘geshowd’, en zijn vrouw en zoons bedankte voor hun steun, geeft aan dat Aad naast docent en onderzoeker ook een echt familiemens was.
Zijn pensioen in 2011 was niet iets waar Aad naar uitkeek. Hij wilde het liefst les blijven geven. Aan de UvA kon dat niet, iets waarover hij zijn ongenoegen in modern Nederlands (met een vleugje Rotterdams) kenbaar maakte. Gelukkig bood de Universiteit Leiden hem die mogelijkheid wel. Studenten die colleges runologie of Oudnederlands wilden volgen, moesten voortaan wel wat verder reizen, maar dat vormde voor de echt geïnteresseerden in de oude Germaanse talen geen enkele belemmering. En zo wist Aad tot ver na zijn emeritaat de kennis van vele studenten te verrijken, iets waarvoor de universitaire gemeenschap, en zijn (oud-)collega’s hem zeer dankbaar zijn.
Suze van der Poll, Scandinavische talen