Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.
Als het in een gezin niet goed gaat, kan een uithuisplaatsing van één of meerdere kinderen een ingrijpend laatste redmiddel zijn. Het advies is om broers en zussen waar mogelijk samen te plaatsen. Forensisch orthopedagogen van de Universiteit van Amsterdam onderzochten hoe vaak broers en zussen toch worden gescheiden en wat hiervan de redenen zijn. Gescheiden plaatsingen blijken minder vaak voor te komen dan eerder werd geschat, maar informatie over de redenen voor gescheiden plaatsing wordt niet systematisch geregistreerd. Het lijkt erop dat in ongeveer de helft van de gevallen praktische belemmeringen een rol spelen, en in de andere helft contra-indicaties.
Een broer en zus houden elkaar vast

Om een kind een veilige omgeving te geven waar het zich goed kan ontwikkelen, of een behandeling kan krijgen die anders niet mogelijk is, kan een uithuisplaatsing een laatste redmiddel zijn. In de Richtlijn Uithuisplaatsing voor jeugdhulp en jeugdbescherming wordt geadviseerd om broers en zussen waar mogelijk samen te plaatsen tenzij dat om bepaalde redenen niet mogelijk of wenselijk is. Forensisch orthopedagogen van de Universiteit van Amsterdam presenteren met nieuw onderzoek een valide en betrouwbare schatting van het percentage broers en zussen dat na gezamenlijke uithuisplaatsing gescheiden wordt geplaatst. Ook geven ze inzicht in redenen die hieraan ten grondslag kunnen liggen.

Geen 50% maar 28% gescheiden plaatsingen

Gebaseerd op dossieronderzoek en interviews onder een representatieve groep van totaal 1717 gezamenlijk uithuisgeplaatste kinderen bij zeven jeugdhulpinstellingen, schatten de onderzoekers dat bij 28% van de gezamenlijke uithuisplaatsingen broertjes en zusjes gescheiden worden geplaatst. Dit aantal is lager dan de 50% die tot nu toe genoemd werd in rapportages over uithuisplaatsingen. ‘Deze 50% was gebaseerd op schattingen uit interviews met jeugdzorgprofessionals en stamt uit 2015’, licht een van de betrokken onderzoekers Isidora Stolwijk toe. ‘Dat het percentage lager is dan werd geschat, betekent echter niet dat het niet zorgelijk is. Het percentage zou mogelijk terug kunnen worden gebracht naar 10-15% als praktische belemmeringen weggenomen worden.’

Ook werd duidelijk dat er drie keer zo vaak gescheiden wordt geplaatst na spoedplaatsingen dan na reguliere plaatsingen en naarmate er meer kinderen betrokken waren bij de plaatsing. ‘Het zou kunnen zijn dat het aantal gescheiden plaatsingen een stuk lager wordt als er minder vaak met spoed uit huis geplaatst wordt’, denkt medeonderzoeker Claudia van der Put.

Redenen voor gescheiden uithuisplaatsing worden nauwelijks geregistreerd

De onderzoekers gingen ook op zoek naar de redenen dat broers en zussen gescheiden worden geplaatst. Geen van de deelnemende instellingen bleken deze systematisch te registreren. ‘Hierdoor is er beperkt zicht op de achterliggende oorzaken, welke van belang zijn voor het terugdringen van het aantal gescheiden plaatsingen’, stelt Stolwijk. In ongeveer de helft van het aantal onderzochte dossiers was helemaal geen informatie te vinden over de reden om kinderen gescheiden te plaatsen.

Conflicten tussen kinderen of het ontbreken van een plek

Op basis van de dossiers waarin wel iets werd vermeld over de reden van gescheiden plaatsing, schatten de onderzoekers dat in de helft van het aantal gescheiden plaatsingen sprake is van contra-indicaties om samen te plaatsen. Bij contra-indicaties zijn er bijvoorbeeld veel conflicten tussen de kinderen onderling. In de andere helft van de gescheiden plaatsingen worden kinderen niet samen geplaatst vanwege een praktische belemmering en omdat er geen plek beschikbaar is waar de kinderen gezamenlijk naar toe kunnen. ‘Het (gebrek aan) aanbod van pleeggezinnen en gezinshuizen was de meest genoemde factor waardoor kinderen gescheiden worden geplaatst’, stelt Van der Put. ‘Er zijn relatief weinig pleeggezinnen beschikbaar die meerdere kinderen willen of kunnen opnemen, bijvoorbeeld door een gebrek aan ruimte of financiële- of overige middelen.’

Aanbevelingen

De onderzoekers spraken tot slot met de respondenten over hoe het aantal gescheiden plaatsingen verder terug te brengen. De suggesties zijn grofweg in te delen in:

  1. Het verruimen van het aanbod en/of de capaciteit van pleeggezinnen en gezinshuizen die meerdere kinderen op kunnen vangen, bijvoorbeeld met een wervingscampagne die zich op (potentiële) pleegouders richt.
  2. Het beter faciliteren en ondersteunen van pleeg- en gezinshuisouders door meer hulp in te zetten in pleeggezinnen die broers en zussen opvangen.
  3. Het wegnemen van financiële belemmeringen bij pleeg- en gezinshuisouders door een hogere vergoeding voor de kosten die gemaakt worden bij het opvangen van meerdere kinderen.

Details rapport

Stolwijk, I.J., Put, C.E. van der & Defoe, I.N., 2022, ‘Gescheiden plaatsing van broers en zussen bij gezamenlijke uithuisplaatsing’, WODC rapport Download

Dit onderzoek werd uitgevoerd in opdracht van het WODC, afdeling Extern Wetenschappelijk Beleidsonderzoek, Ministerie van Justitie en Veiligheid

Dr. C.E. (Claudia) van der Put

Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen

Programme group: Forensic Child and Youth Care

Dr. I.N. (Ivy) Defoe

Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen

Programme group: Forensic Child and Youth Care