Voor de beste ervaring schakelt u JavaScript in en gebruikt u een moderne browser!
Je gebruikt een niet-ondersteunde browser. Deze site kan er anders uitzien dan je verwacht.

Op donderdag 27 juni 2019 organiseerde de Algemene Rekenkamer een werkconferentie over revolverende fondsen naar aanleiding van het rapport “Zicht op revolverende fondsen van het Rijk” dat zij op 16 april jl. uitbracht. Tijdens de werkconferentie presenteerde Ewout Irrgang, lid van het college van de Algemene Rekenkamer, het genoemde rapport. Vervolgens reflecteerde Prof. mr. Jacobine van den Brink op de vraag of een afzonderlijk juridisch kader voor revolverende fondsen wenselijk is.

Hoogleraar Jacobine van den Brink bij een werkconferentie
Van den Brink pleit ervoor om voor revolverende fondsen die publiek geld uitgeven publiekrechtelijke basisvereisten vast te leggen.

Revolverende fondsen zijn fondsen die publiek geld wegzetten door middel van leningen, participaties en garanties met het oog op allerlei maatschappelijk relevante projecten, bijvoorbeeld op het terrein van energie en innovatie. De Rekenkamer constateert dat het verschijnsel “revolverend fonds” zich steeds uitbreidt – alleen op Rijksniveau identificeert de Rekenkamer er al ten minste 30 – en dat het niet eenvoudig is om hier zicht op te krijgen.

Dat geldt niet alleen voor de Rekenkamer zelf, maar ook voor democratisch gelegitimeerde organen – zoals de Tweede Kamer – die verantwoordelijk zijn voor de publieke gelden die in de revolverende fondsen worden gestopt. Dit is het gevolg van het feit dat revolverende fondsen “op afstand” worden geplaatst door middel van een privaatrechtelijke constructie. De Rekenkamer constateert ook dat er in Nederland geen specifieke regelgeving bestaat waarin deze fondsen met rijksbijdragen aan moeten voldoen. Eén van de aanbevelingen van de Rekenkamer luidt om te kijken of een afzonderlijk juridisch kader voor revolverende fondsen zinvol is.

Een afzonderlijk juridisch kader voor revolverende fondsen

Tijdens de werkconferentie presenteerde Ewout Irrgang, lid van het college van de Algemene Rekenkamer het voormelde rapport. Vervolgens reflecteerde Prof. mr. Jacobine van den Brink op de vraag of een afzonderlijk juridisch kader voor revolverende fondsen wenselijk is. Zij concludeert dat dit het geval is, alleen al om te waarborgen dat allerlei publiekrechtelijke waarborgen in acht worden genomen bij de uitvoering van revolverende fondsen.

Omdat veel revolverende fondsen die publiek geld wegzetten privaatrechtelijk worden vormgegeven en beheerders van die fondsen niet zijn aan te merken als bestuursorgaan, zijn deze waarborgen, zoals transparante verdeling van publieke gelden, de Wet openbaarheid van bestuur, de Wet normering topinkomens en laagdrempelige rechtsbescherming bij de bestuursrechter, niet automatisch gegarandeerd. Van den Brink pleit er daarom voor om voor revolverende fondsen die publiek geld uitgeven publiekrechtelijke basisvereisten vast te leggen in een algemene formele wettelijke regeling. Deze aanvliegroute heeft tot gevolg dat alle revolverende fondsen die publiek geld uitgeven aan dezelfde basiseisen moeten voldoen, ongeacht of zij publiekrechtelijk dan wel privaatrechtelijk zijn vormgegeven. Dit is niet alleen goed voor de burger en de ondernemingen die financiering wensen, maar ook voor het grote publiek dat zo meer inzicht krijgt in de besteding van hun belastinggeld. Publiek geld verplicht!

Aan het einde van de werkconferentie werd aan het ministerie van Financiën een ansichtkaart aangeboden met daarop de belangrijkste resultaten van de conferentie.